Deel:



Terpentijd   500v Chr.-1200 (terpen; afgravingen ; De Hege Wier)

Toen Friesland nog niet door dijken tegen de zee werd beschermd, woonden de mensen in het noorden van ons gewest op de onbeschermde kwelders. Deze situatie bestond reeds enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling.

De zeespiegel lag toen echter veel lager dan nu zodat het toch betrekkelijk veilig wonen was. Later, toen het zeewater langzamerhand hoger kwam, werd het leven op de kwelders minder veilig.

De bewoners waren hierdoor genoodzaakt woonhoogten of terpen op te werpen, meestal op de plaats waar men reeds woonde. Het gevolg was, dat de terpen vaak in rijen lagen.

De Romeinse schrijver Plinius sprak dan ook al over “tumuli “of hoogten in dit gewest, waar de vissers hun hutten op bouwden.

Geschiedschrijvers als Ubbo Emmius en Schotanus schreven in de 17 e eeuw over hoogten gemaakt door “onmenschlycke arbeydt “. Schotanus noemde een terp “een t`samen ghereden bollichheidt “.

Ook in Menaldumadeel moeten talrijke van deze terpen zijn geweest, wat ook nog wel aan de dorpen is te zien, waar de toren op een hoogte is gebouwd. Denk maar eens aan Menaldum, Beetgum en Slappeterp, dat in de 13e eeuw Slepelterp heette.

Afgravingen

Toen de eerste dijken werden aangelegd om de bewoners te beschermen tegen het hoge water waren de terpen niet meer nodig en omdat men ontdekte dat deze terpgrond goede landbouw aarde was werden ze afgegraven. In 1840 zijn de eerste advertenties opgedoken in de Leeuwarder courant.

Menaldumadeel was de eerste gemeente, die naar aanleiding van de afgraving van Deinum in 1907, een verordening tegen deze, wat staat beschreven als “grounpiraterij “vaststelde

 

De Hege Wier,

 

 

 

Aan de Sanwei tussen Menaldum en Beetgum ligt een hoge heuvel.

Deze ongeveer 10 meter hoge heuvel in het vlakke landschap is een stinswier uit ongeveer de twaalfde eeuw. De bewoners van de vlakbij gelegen terp gebruikten deze verhoging als verdediging`s punt tegen aanvallers. Op de Terp heeft tot na de tweede wereldoorlog een restant van een boerderij gestaan. Op het stinswier die een voorloper is van de latere stinsen, heeft ooit een verdediging `s toren gestaan. De heuvel is vroeger nog groter geweest. In Friesland zijn meer dan honderd van deze punten geweest. Nu zijn er nog maar drie. Het stinswier, die een doorsnede heeft van zo’n twintig meter is eigendom van Staatsbosbeheer. In 1972 is de restauratie in het kader van de ruilverkaveling gereedgekomen. Wier en Terp gelden als beschermd archeologisch monument en zijn niet bedoeld als speelplaats voor de jeugd. Hiermee is dit uit omstreeks 1200 daterende historisch monument tijdig veiliggesteld.

Tekening van Gralda State uit 1722 door J Stellingwerf. Wanneer de State gebouwd werd is niet bekend.

 Op de tekening is een huis te zien van twee bouwlagen met kruiskozijnen en luiken voor de onderzijden van de ramen. Een nogal 15e/16e eeuws beeld. Ook de naam doet denken aan hoge ouderdom. De bekende eigenaren/bewoners dragen allemaal andere (familie) namen. Mogelijk is de naam ontleend aan de oudste voornaam Grealt zoals de naam van de naburige Orxma State aan de oudfriese jongensnaam Orck ontleend lijkt te zijn.

Hoe dan ook, in 1580 is het huis in bezit van Tjepcke Gerbarana, die Rooms Katholiek bleef en daarom gedwongen werd in ballingschap te gaan. Hij stierf in het buitenland en zijn weduwe Jesck Popma trouwde met Sybolt van Aylva. Die was ook al geen vriend van de protestanten en bleef hardnekkig Katholiek. Sybolt kwam uit de Witmarsumer Aylva-tak en bleef in ieder geval tot 1598 eigenaar van Grala State.

In 1622 vinden we hier Feye van Aylva , in 1640 jonker Tjepke Eeske Popke van Aylva die er zelf ook woont en in 1652 Barthold van Aylva. In 1700 vermeldt het Floreen kohier als eigenaar de heer J.H. de Wolf en gebruiker is dan Ruird Pijters. Het geheel is dan 85,5 pondemaat groot.

Daarna komt de State in handen van de familie Van Cammingha . In 1722 wordt een mevrouw Cammingha vermeld, een dochter van Watze van Cammingha. Ook Rixt van Donia, gehuwd met bovenstaande Warze wordt als eigenaresse vermeld. Vanaf 1667 woonden zij op Donia State bij Beetgum.

In 1749 heeft grietenijsecretaris Johan Casparus Schik zijn buiten Oorbijt te Dronrijp verruild voor het veel grotere Gralda State. Dat duurde niet echt lang, want in 1764 woont Theodorus Cock hier. Hij is mogelijk een huurder geweest, want in 1786 vond ik nog “de heer Schik “vermeld als eigenaar.

In 1795 werd de State verkocht en bestond uit huis, hof, tuin, grachten en singels 11,5 pondemaat en 75 pondemaat bouwland. De opbrengst in dit onzekere revolutie jaar was slechts een magere 7500 Caroligulden. Kort daarna werd ook dit grote huis, dat volgens d “tegenwoordige staat “vooral opmerkelijk was door “haare hooge poort “tegen de vlakte gewerkt om zoveel mogelijk geld te verdienen aan de verkoop van het vrijkomende bouwmateriaal.

Bronnen:

Tekening ; J.Stellingwerf

Tekst: Jan Leemburg

“Tegenwoordige staat van Friesland “

“Menaldumadeel, 2000 jaar leven in een Friese grietenij “van David Hartsema

“Skiednis fan Menameradiel “door O.Santema en Dr. Y.N.Ypma

Orxma State 

Oorspronkelijk stond hier een boerderij die in 1629 gekocht werd door Ruurd van Juckema. De boerderij werd in 1642 in opdracht van Homme van Camstra vervangen door een prachtig huis met hoven grachten en singels.  In 1830 wordt de state in opdracht van Van Sminia verkocht en in 1831 afgebroken. De prachtige hoven en singels werden bouwland en grasland. Van de afbraak stenen werd een armhuis gebouwd, dit arm en werkhuis werd in 1832 gesticht, het gebouw staat er noch. Er werden later 4 eensgezinds woningen van gemaakt. Dit gebouw werd eerst gebruikt voor het stallen van de paarden en wagens.

Het wapen van de Camstra`s zit in de muur gemetseld van de huidige serviceflat Orxma State. Het wapen bestaat uit een kam en een ster en een rad die de naam moet uitbeelden. Om Orxma state ligt nog een gedeelte van de oude grachten. Een gedeelte van de serviceflat is in 2018 afgebroken. De wapen steen is door het Documentatie Centrum veiliggesteld en wacht op een nieuwe bestemming.

Bronnen Tekst: Aantekeningen van J. Leemburg

"Beschryvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt" door Chr. Schotanus (1664)

"Tegenwoordige staat van Friesland" ca. 1780

"De historie gaat door het eigen dorp" van A. Algra (1955-1960)

Website van Tresoar

"Menaldumadeel, 2000 jaar leven in een Friese grietenij" door David Hartsema (1981)

“Kroniek van het hedendaagse Friesland” van Dr. Wumkes

“Skiednis fan Menameradiel” red. O. Santema en dr. Y.N. Ypma, 1972 

Website van Menaldumdorp

 

 

DORPSWAPEN EN -VLAG VAN MENALDUM

Met het opheffen van de gemeente Menaldumadeel in 2018, verdween niet alleen het gemeentehuis uit Menaldum, maar ook het gemeentewapen werd bijgezet in de archieven van de staat. Dit gemeentewapen echter bevatte een voor Friesland uniek stuk: de liggende en omziende eenhoorn. Om de eenhoorn voor Menaldum te bewaren stelde de Fryske Rie foar Heraldyk voor aan Plaatselijk Belang Menaldum, om in een nieuw dorpswapen en -vlag de eenhoorn terug te brengen naar zijn oorsprong.

 

Bijzonder is, dat de eenhoorn een in deze positie een evenknie heeft in het Lam Gods in het dorpswapen van Berlikum. Dit Lam ligt in de dakgoot van een kerkgebouw en ziet, evenals de eenhoorn, om. Twee wapens en vlaggen, die een beeld dragen dat aan elkaar gelijk is. Beiden zijn een beeld van Christus. In het wapen van Berlikum is dat duidelijker dan in het Menaldumadeelse wapen. Want het Lam draagt een kruisvlag.

In het ontwerp dorpswapen Menaldum zien we de liggende en omziende eenhoorn in de bovenste helft van  het schild.  

 

 

Net als in het voormalige gemeentewapen in blauw. De deling van het schild laat ons kantelen zien. Deze zijn een herinnering aan de versterkte huizen (stinzen en states) die in en rondom Menaldum hebben gestaan. In de Historie gaat door het eigen dorp door de heer A. Algra staan ze op een rijtje genoemd: Orxma, Gralda, Jukema, Donia, Galama, Hemmema en Martena.

Het gemeentewapen van Menaldumadeel is in 1938 gewijzigd. Het wapen van 1818 toonde ons een rode liggende eenhoorn met groene hoorn in een zilveren schild, vergezeld van twee groene kiavers en een blauwe ruit. De kiavers zijn in het nieuwere gemeentewapen veranderd in een St. Jacobsschelp en een eikel, beide van goud en de blauwe ruit is van zilver geworden. Als herinnering aan dat oude wapen zijn in het dorpswapen de twee groene kiavers teruggekomen. Deze geven de agrarische sector van het dorp weer. De rode ster in de schildvoet wil het oude bestuurscentrum van Menaldumadeel in herinnering brengen en houden. Deze ster is de zgn. Leidster. Menaldum het leidende dorp in de gemeente.

De vlag toont ons de liggende eenhoorn in blauw net zoals in de gemeentevlag. Deze vlag is verticaal gedeeld en de dorpsvlag bezit een gekanteelde horizontale deling in de kleuren van het schild: blauw en goud/geel. 

 

Feintsje fan Menaem

 

Op zijn oude fiets door bos en open veld, al zwaaiend naar de meisjes de wijde wereld in. Wie Menaam zegt, krijgt direct te horen, “Oh ja, It Feintsje fan Menaem”.Twee bekende Friese schrijvers, een trouwerij en een Duits volksmelodietje waren destijds de ingrediënten voor het bekende Menamer liedje.

Het was de Friese schrijver en verhalen verzamelaar Ype Poortinga (1910-1985) die in 1940 in Menaam kwam wonen.

 

 

Hier ontmoete hij zijn toekomstige vrouw Rinske Wiersma. In 1943 trouwde hij met haar. Speciaal voor deze bruiloft had collega dichter en politicus Fedde Schurer (1898 – 1968) een liedje voor zijn collega Ype geschreven. Op de melodie van het Duitse volksliedje “Der Jäger aus Kurpfalz” schreef Fedde de tekst “In feintsje út Menaam, dy jaget troch it griene wâld”. En zo is het Feintsje fan Menaem voor eeuwig met Menaam verbonden. Japke Tichelaar-Berkenpas (1929-2017) was destijds aanwezig op de bruiloft en vertelde hier vaak over. Het liedje werd sindsdien overal bekend. Maar het bleef vooral bij de tekst op een vrolijke melodie.

 

Het was de Menamer Timen Dijkstra die eigenlijk vond dat ieder dorp of stad wel recht heeft op een eigen standbeeld. Groningen heeft zijn paard, Assen zijn Bartje en in Harlingen zit een jongen met zijn vinger in de dijk. En Menaam? Tijd voor actie dacht Timen.

In het dorpsboekje “Menaem yn’t Ljocht” waarvan Timen in die tijd redacteur was, zette hij zijn plan op papier. Met financiële zaken heeft Timen niets en hij wist dat het nodige geld op het kleed moest komen. Er waren in die tijd al zoveel acties in het dorp geweest. Timen en zijn dorpsgenoten hadden al een mooie plaats in gedachten. Bij “De Weme” tussen de rozen of midden in het dorp voor het gebouw van gemeentewerken. “In idee is samar klear” zei Timen, “Mar as der jild komme moat, dan begjinne de problemen”. Dus hoopte hij op steun uit het dorp. En die kwam er. Een commissie ging bezig om het idee uit te werken.

Namens de commissie plaatselijke aangelegenheden was het Jan Bakker die de klus oppakte. Inzamelacties, de financiële thermometer met de actuele stand van zaken en het aanschrijven van diverse fondsen en beeldhouwers. Het bronzen beeld op stenen sokkel zal worden gemaakt door mevrouw Suze C. Boschma-Berkhout (1922 – 1997) uit Leeuwarden. Het complete beeld zou fl 7475,- gaan kosten. De Menamer bevolking wist fl 2486,50 in te zamelen. Met de gemeentelijke bijdrage en diverse fondsen stond de fl-teller op 21 april 1971 op fl 6986,50 Een negatief saldo van fl 463,50 dat alsnog moest worden ingezameld.

Op 26 april schreef de heer Jan Bakker namens de commissie de definitieve bevestiging. Op 15 mei, tijdens de traditionele President J.F. Kennedy wandeltocht, zal het beeld officieel onthuld worden door weduwe W. Schurer – de Vries uit Heerenveen, gevolgd door het wandeldefilé van de Kennedytocht.

Sinds die tijd staat het Menaemer Feintsje aan de Dijksterbuorren in Menaam. Al die tijd is het Feintsje slechts één maal echt op stap geweest. Rond de jaarwisseling 2001/2002 was hij even te fietsen. Gelukkig zou hij snel weer terug zijn. De oudejaarsploeg Bjusterbaarlike Klaaikluten uit Hallum hadden hem tijdelijk geadopteerd, dit tot grote ongerustheid van vele Menamers.

It feintsje fan Menaam

In feintsje út Menaam, dy jaget troch it griene wâld,

hy wiuwt tsjin elk jongfaam yn hiel de wide wrâld.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Myn ryk-rak fyts fan stâl! Ik ryd him troch de hikkedaam

en set ek fuort fan wâl, ast feintsje fan Menaam.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Men sjocht my thús net wer, sa lang myn wrakke bân it hâld,

Ik swalkje her en der oer hiel de wide wrâld.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Sjoch ik in bliere faam, ik ryd der net mei feart bylâns

as 't feintsje fan Menaam, mar 'k gryp myn goede kâns.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Jou ús in lytse klint, in hoekje bou, in geit dêrta,

Al ha 'k gjin reade sint, hoe skoan sill' wy 't dêr ha.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

 

  Gemeentehuis

 

Tot 1842 was een deel van het Grietenijhûs van Menaldumadeel gevestigd in "Unia State" bij Marssum en werd gebruikt als trouwlocatie. Daarna is het nieuw gebouwde Grietenijhûs in Menaam in gebruik genomen. Er werd dus ingeschreven in Marssum van geboorte en huwelijk. Thuis trouwen was nog steeds mogelijk, maar je had 6 getuigen nodig, dat was duurder en werd ook alleen gedaan door de adel en andere belangrijke mensen, of in geval van ziekte of invaliditeit. 

 

Het indrukwekkende Grietenijhuis is ontworpen door de in Friesland bekende classicistische architect Thomas Romein (Ook de ontwerper van de kerk te St.Jacobi parochie en het Gerechtsgebouw van Leeuwarden). Het gemeentehuis is gebouwd in de jaren 1841-1843, een belangwekkend gebouw, waarin het streven naar sobere vormen in het spoor van de inspiratie op de klassieke oudheid duidelijk tot uitdrukking komt.

De bouw van het nieuwe Grietenijhûs in Menaam had fl. 11.180, - gekost en is in 1843 in gebruik genomen.

 

 

Van 1817 tot 1842 werd door de gemeente ook een gedeelte gehuurd van het naast het  stadhuis staande, Bondscafe " De Klok" en gebruikt als grietenijkamer en secretariaat. In 1883 koopt de gemeente de gehele herberg en verhuurt ze een deel aan een zekere A.J. Schaafsma. 

 

Eén van de herbergiers was Jan Tymens de Boer wordt geboren op 18 april 1824 in Berlikum. 

In 1860 is hij gardenier in Wier. 

Vanaf voorjaar 1860 is Jan Tymens de Boer herbergier in Menaldum op huisnummer 56 (nummer 98 in 1880, 123 in 1890 en 230 in 1909). Zijn herberg ‘De Klok’ staat kadastraal op Beetgum C nummer 709 en is 2,30 are groot. Hij koopt het pand, dat naast het in 1842 nieuw gebouwde gemeentehuis staat, eind 1859 op een publieke veiling van de erven van Anne Jacobs Kooistra uit Marssum. Kooistra kocht het in 1855 van de gemeente, die het op haar beurt in 1835 kocht van de erven Anne Wytzes van der Weit (1782-1824). 

Herbergiers in de periode tussen 1855 en 1860 waren Jacob Olijnsma en Jacob Klazes Jongedijk. Zij zullen van de toenmalige eigenaar Kooistra hebben gehuurd.

Herberg “De Klok “wordt in 1955 afgebroken. 

 

 

 

  

 

 

 

Stinzen rondom Menaldum

 

Wuytze state

 Deze stins stond er in elk geval al rond 1470.

Onder de ontvangers van "heerschap renten" onder Menaldum komt in 1511 Sibbel Epes voor. Waarschijnlijk is ze te identificeren met Sibbel Dyadr van Wuytza, die in de jaren voor 1504 een relatie had met de Saksische stadhouder van Friesland Wilhelm Truchsess von Waldburg. Na zijn terugkeer naar Duitsland bleef hij met haar corresponderen; hij bekommerde zich ook om de opvoeding van hun twee kinderen.

In 1528 droeg Sibbel en haar zoon Christoffel Wuytza over aan Sibbels dochter Margaretha Truchsess, gehuwd met Albert van Aernsma. In het zwanenboek van 1529 wordt vermeld dat Wuytza zate of state zwaanrecht had en al sinds 60 jaar en meer in bezit is van de voorouders (in moederlijke lijn dus) van Margaretha. Door het huwelijk Aernsma-Truchsess von Waldburg hadden vele Friezen de Waldburgs in hun kwartieren; zo ondermeer de Van Sytzama's te Friens, die op de grote wapenborden in de kerk aldaar iedere verwijzing naar de onwettige geboorte van Margaretha achterwege lieten. 

 

 

Bronnen;

P.N.Noomen ; De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 2009

 

Fleringa of Galema

 

 

 

In 1511 was Renick Wybez Popma van Terschelling eigenaar en bewoner van die staeten toe Flaeringe. Ook in 1505 werd hij al als edelman in Menaldumadeel vermeld. In 1511 overleed ook de priester Douwa Pibez in Dronrijp. Laatstgenoemde stichtte daar een prebende, waarvan hij Renick Popma - en na hem diens rechtsopvolgers op Fleringa - samen met nog enkele anderen patroon maakte. De achtergrond daarvan was dat Renicks moeder een Gerbranda van Herbayum was, uit een familie die ook tot Douwa Pibez' verwanten behoorden.

 

In 1529 maakten Renicks beide in het buitenland vertoevende weeskinderen aanspraak op de gerechticheyt van swanejagen als sy hebben ter cause van Fleeringa state. Eén van hen, Heercke Popma, vestigde zich later op Fleringa. In 1549 verkocht hij een rente uit de state. Hij overleed er in 1554 en werd in de kerk begraven. Heerckes dochter Rieme trouwde met Hans Galesz Galema, die in 1578 hier als heerschap in het Lyaersma sextendeel van Menaldum, waarin Fleringa lag, werd aangeslagen. In 1622 werd Fleringa naar de eigenaar als edele state Gaelema aangegeven, in 1664 als edele state Fleringa. In 1728 was het goed niet meer in adellijke handen. Bij de invoering van het kadaster was het een boerderij, die samen met de bijbehorende boomgaard door een ruime vierkante gracht omgeven was.

 

 

De boerderij Fleringa , ook wel Galema genoemd , staat aan de Ljochtmisdyk 45 en wordt nu bewoond door de Fam. J. van der Wal. 

De naam Fleringa (Galema) of Flaringa wordt ongeveer voor het eerst genoemd in 1501. In 1618 wordt Gale van Galema vermeld en in 1640 is het eigendom van Joris Camp en in gebruik bij Jan Yges Tiesma. In 1700 is het in bezit van jonker Hector van Glinstra. “oud Grietman over Tietsjerkstradeel “en is dan 80 pondemaat groot. 

De boerderij ligt op een grote terp waarvan begin 1900 een groot gedeelte is afgegraven. (zie hiervoor naar het venster van de Terpen )

 

Op bijgaande foto is een nisje te zien dat naar alle waarschijnlijkheid stamt uit de tijd vlak na de reformatie ± 1650-1700, toen de Rooms katholieken niet in het openbaar bij elkaar mochten komen om de eucharistie te vieren. Dit werd officieel weer toegestaan in 1853, tot die tijd hield men zich op in schuilkerkjes en boerderijen. In boerderijen kwam men samen op de dorsvloer, het nisje op de foto zit ook bij de voormalige dorsvloer. 

 

Bronnen:

Tekst: Jan Leemburg

Website van Menaldum

“Skiednis fan Menameradiel” red. O. Santema en dr. Y.N. Ypma, 1972

“Prekadastrale atlas van Fryslan” door J.A. Mol en P.A. Noomen

 

 

Gralda state

 

Zie venster V 05

 

 

Orxma State 

 

Zie venster V 06