Deel:


Welkom op de dorpscanonsite van Folsgare. Veel plezier toegewenst met het lezen van de vensters over de historie van ons mooie dorp. Het heden wordt overigens niet overgeslagen. De canon is nog niet compleet. Met regelmaat zullen er nieuwe vensters verschijnen, dus neem zo nu en dan eens een kijkje op onze dorpscanon Op de website van het dorp, https://folsgeare.nl/, wordt vermeld wanneer er weer één of meerdere nieuwe vensters is / zijn geplaatst.


Dorpsbelang Folsgeare

Samen met Atse Bruin coördineert Wytske Heida de dorpsanon van het dorp Folsgare.

Atse woont vanaf 1981 in het dorp en voelt zich op en top Folsgaaster. Hij heeft zich na zijn pensionering helemaal toegelegd op de historie van Folsgare. Het zoeken naar informatie, het verzame

Folsgare, de naam

Dorpswapen en -vlag

Folsgeasters

Taede Ruurds Abma

Meinte Ruurds Abma

Meinte Jelles Abma

Gerben Abma

Gerben Willem Abma

Marco Rypma 

Wout Zijlstra

Wout jr. en Katinka Zijlstra,   de Zijlstra Gym

Clasina S. Flapper

Jouke Boschma

Willem Sjerps Twijnstra

Jentje Everts versus Hoyte Lolkes

Anne Wytzes

Woningen in de ‘buorren’  aan de Tsjaerddyk

Tsjaerddyk begin 1900

Tsjaerddyk 26  Koemelkerij

Tsjaerddyk Koemelkerij Willem Twijnstra

Tsjaerddyk 28 / 26b   Koemelkerij / Timmerbedrijf 

Tsjaerddyk 30  Koemelkerij / Bakkerij

Tsjaerddyk 32  Rentenierswoning

Tsjaerddyk 34  Schilder

Tsjaerddyk 36   Kruidenier

Tsjaerddyk Kerkhuis zuid

Tsjaerddyk 38   Kruidenier

Tsjaerddyk 40   Smederij

Tsjaerddyk 42  Timmerzaak / Kuiper / slagerij / SRV

Tsjaerddyk 44  Timmerzaak / Streekje

Tsjaerddyk 48   Schoenmaker

Tsjaerddyk 47  

Tsjaerddyk de Tempel

Tsjaerddyk het huis tussen de Tempel en Kerkhuis Noord

Tsjaerddyk Kerkhuis Noord

Tsjaerddyk 39 t/m 33   Nieuwbouw

Woningen buiten het dorp

Tsjaerddyk 22 / 24   it Reidpôltsje

School

De eerste School

De tweede School

Kerk

De kerk in Folsgare vanaf 1864 tot heden

De grafstenen van de Foekema’s

De pastorie van Folsgare

Het torenuurwerk van Folsgare

De kerkklok van Folsgare

Het orgel van de Laurentiuskerk

Boerderijen

Folsgeasterleane                           Breeuwsma Zathe

Folsgeasterleane                           De terp Strûpenkeal (Afgebrand)

Folsgeasterleane 2                        Afgebrand

Folsgeasterleane 4                        Carpe Diem

Folsgeasterleane 15                      Abma pleats

Tsjaerddyk 27   boerderij            

Tsjaerddyk 29   boerderij               Boschma pleats

Tsjaerddyk 49                                 Pastorie pleats

Straten

Garastrjitte

Aanleg Folsgeasterleane

Mieddyk

Diversen

Monument   De drie Monniken

Monument de Hoanne

De Tjaardvaart

Dorpshuis Yn’ e Lyte

Folsgare 1940 – 1945

Folsgare aan het spoor

Folsgare is rond de elfde eeuw ontstaan aan de rand van de Middelzee.

Waar komt de naam Folsgare/ Folsgeare vandaan?

De Plaatsengids en Wikipedia verwijzen beide naar het Oudfriese gâra = geer, een wigvormend, spits toelopend stuk land dat in bezit is van een persoon met de naam Foldo of bewoond werd door iemand met die naam.

In de Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer staat onder Folsgare / Folsgeare:  gare = landtong, met mansnaam?

Het tweede deel van de naam:

Uit de lijst met schrijfwijzen van het dorp blijkt dat het achtervoegsel eerst vooral “gara”  was i.p.v.  “gare”.  De verandering  van “gara” naar “gare” heeft zich in de loop van de tijd voltrokken.

De Plaatsengids  en Wikidedia wijzen er op dat in het Oudfries “gâra” betekent:  geer `wigvormig, spits toelopend stuk land.

De Encyclopedie van Friesland schrijft dat “gare” landtong betekent.

Een weiland net westelijk van Schenerstate, heeft in de Floreen kohiers van 1700 de veldnaam “de Gare”. Dit stuk land grenst aan de noordzijde van het Middelpad of Legedyk. Deze naam is misschien de oorsprong voor de naamwisseling van het achtervoegsel van het dorp. De oude betekenis was wellicht in de loop der jaren niet meer van toepassing of bekend en beide, het dorp en het weiland zullen een landtong zijn geweest.

“Te gaer” betekent in het Oudfries “samenkomen”.

“Gear” in het Frysk heeft dezelfde betekenis als “Gara” , dus de Fryske naam heeft de oude betekenis overgenomen.

In 2002 krijgt dorpsbelang de vraag waarom Folsgare geen eigen wapen en vlag heeft.  Feike van der Velde wordt gevraagd een ontwerp te maken. Feike verwijst het dorpsbelang door naar de Fryske Rie foar Heraldyk.

Een dorpswapen is een wapen dat geen officiële status heeft, maar wel door het dorp, na toestemming van de gemeente waaronder de betreffende plaats valt, gebruikt mag worden.

De aanvraag voor een  wapen of vlag begint met het vragen van advies bij de Fryske Rie foar Heraldyk. De Rie is een onderdeel van de Fryske Akademy in Leeuwarden, die deze in 1956 heeft ingesteld.

De Rie is geen overheidsorgaan en heeft geen wettelijke taken en bevoegdheden. Het is het oudste provinciale heraldisch college in Nederland en bestaat uit specialisten, die op grond van hun deskundigheid tot lid van de Rie benoemd zijn.

Alleen de Nederlandse Hoge Raad van Adel heeft een in de wet vastgelegde taak betreffende adellijke wapens en overheidswapens.

De Rie is een raadgevende commissie die in Friesland wapens en vlaggen van de  provincie, gemeenten, waterschappen, steden, dorpen  en families registreert.

De Rie adviseert ook  over de vormgeving van nieuwe wapens voor overheden, dorpen, families en verenigingen en/of maakt ontwerpen hiervoor. Voor familiewapens geldt als voorwaarde dat de familie woonachtig moet zijn in Friesland en de Nederlandse nationaliteit bezit, of een Friese naam moet hebben indien men buiten de provincie woont. Deze wapens worden in het Genealogysk Jierboek gepubliceerd, dat door de Fryske Akademy wordt uitgegeven.

Daarnaast geeft de Rie adviezen over vlaggen, vlaggenprotocollen, wimpels, banieren en standaards en (kleur)adviezen over wapens.

Taede Ruurds Abma is op 30 juni 1826 in Folsgare aan de ‘leane’ geboren en wordt aangegeven op 1 juli 1826 door zijn vader Ruurd Freerk Abma met de getuigen Fedde Oeges Breeuwsma en Hendrik Uiltjes Hoekstra, beiden boer en buren van de ouders Ruurd Freeks Abma en Hiltje Klazes Wiersma.

Ruurd Freeks Abma oud zeven en veertig jaren boer wonende te Folsgare welke ons een kind van het mannelijke geslacht heeft voorgesteld, den dertigsten der maand Juny dezes jaars des avonds ten zes uren uit hem declarant en Hiltje Klazes Wiersma zijne Huisvrouw te Folsgare geboren, en aan het welk hij verklaard heeft de voornaam te geven van Tade.

Taede is het tiende kind van Ruurd Freerks en Hiltje Klazes en voor een naam moeten ze wat verder terug in de tijd. Hij wordt vernoemd naar zijn overgrootvader Tade.

Zijn beppe Baukje Taedes is in 1811 overleden. In de nalatenschap van Meinte Ruurds Abma staat een notitie waarin vermeld staat dat Baukje Taedes is geboren op 6 mei 1744. Uit het doopboek van de Hervormde gemeente Oudega, Idzega en Sandfirden blijkt dat haar ouders Tade Murks en Geertje Goverts zijn.  

Taede Ruurds wordt in de geboorte akte door zijn vader aangeven met de naam Tade precies zo als Baukje haar vaders naam geschreven wordt bij haar inschrijving in het doop register van Sandfirden.

Taede blijft de jongste van het gezin en is bijna zeven jaar oud als zijn vader Ruurd Freerks Abma, 54 jaar oud, op 16 maart 1833 overlijdt.

Aangevers zijn Taeke Jans Westendorp, oud zeven en dertig jaren, boer op Suderburen, en Wiebren Lolkes van Wieren, oud dertig jaren, boer op Strûpenkeal, beiden buren van de overledene.

Taede is boerenzoon en groeit net buiten het dorp op aan de ’leane’. Er is nog geen school en hij  krijgt les van zijn moeder en oudere broers en zusters. Het boerenwerk is een onderdeel van zijn opvoeding en als jongste zoon zal hij later als boer op de ouderlijke boerderij komen.      

Taede Ruurds is al op 18-jarige leeftijd gekozen tot kerkvoogd. Het maakt niet uit of je Teerde of Taede schrijft hij hoort nu wel bij de mensen die iets in de melk te brokkelen hebben.

Op 12 mei 1898 wordt  Meinte Ruurds Abma geboren in Hidaard. Zijn ouders Ruurd Taedes Abma en Hesseltje Brandsma verhuizen in 1905 naar Folsgare.  Op 11 mei 1922 trouwt hij met Akke Boschma, een dochter van Feike Boschma en Willemke Rollema. Hij wordt later boer op de “Blikken pleats” en geeft de boerderij de nieuwe naam Carpe Diem. Meinte Ruurds schrijft veel stukjes, het volgende verhaal is van zijn hand. Het verhaal is, zo veel mogelijk letterlijk, naar het Nederlands vertaald, de originele Friese tekst staat onder de Friese versie van de dorpscanon.

De verste herinnering aan paarden gaat terug naar Hidaard, waar ’s ochtends het paard voor de karnmolen liep. En dat bleef ook wel eens staan en dan kwam moeder door de deur van het karnvertrek en zei: krr, krr, en de zaak liep weer. In 1905 verhuisden wij naar Folsgare  en in 1907 werd de boerderij verbouwd. Toen kwam er weer een paard voor de karnmolen, maar nu ging het om de waterbak  (400 liter) op zolder vol te pompen.

Als jongen mocht je in de vakantie met het oudste paard er tussenin rijden bij het mesten, toen je wat ouder werd, kreeg je een wat schrikachtiger dier in handen, alles onder de voorwaarde “je mag niet zo jagen”. Met twee paarden voor de maaimachine werd al een wat groter blijk van vertrouwen gegeven. Als jongeman met een vriendin in de tilbury op hoogtijdagen naar Leeuwarden of naar Gaasterland waren hoogtepunten. Soldaat worden was er ook bij. “Waar wil je dienen?” werd ons bij de keuring gevraagd. “Bij de cavalerie”,  was het antwoord.

Meinte Jelles  Abma wordt geboren  op 2 september 1930. Hij is het vijfde kind in het gezin van Jelle Ruurds Abma en Doutje Tjitses Bouma. Hij groeit op op een boerderij, net buiten Folsgare, aan het eind van de zgn.  ‘Reade Leane’

( zie ook venster:  Folsgeasterleane 15 )

Meinte gaat na de lagere school in Folsgare naar de Rehoboth-mulo in Sneek en doet vervolgens nog de  A-afdeling van de Rijks-HBS in Sneek.  Hij begint zijn carrière op de gemeentesecretarie van Sneek. Hij is, net als zijn vader die gemeenteraadslid in Wymbritseradiel is, een “wisse prater” en houdt niet van grootspraak.  Na acht maanden gaat hij naar Schoonebeek in Drenthe waar hij een jaar blijft. Daarna werkt hij ruim twee jaar in Zoelen, een dorp in de gemeente Buren, provincie Gelderland.  De volgende standplaats, voor een periode van drie jaar, is Eibergen in de  gemeente Berkelland in de Achterhoek. Vandaar verhuist hij naar Wateringen in de gemeente Westland,  weer voor drie jaar. Tussen de bedrijven door behaalt hij in de avonduren de diploma’s Gemeente Administratie en Gemeente Financiën.

Vanaf 1 juni 1960  gaat hij aan het werk in de gemeente Maartensdijk als  hoofd gemeentefinanciën en loco-secretaris.

In 1968 trouwt hij met Gijsje Berdina Johanna (Bep) de Nooij, verpleegster, uit Den Haag. Als Haagse komt ze in een puur Friese familie terecht en leert tijdens de logeerpartijen in Folsgare het Fries te verstaan. Meinte en Bep adopteren twee kinderen uit Kreta. De oudste wordt Jelle Michalis genoemd en de jongste Meinte Gerben Willem. Meinte studeert in zijn vrije tijd tussen de bedrijven door rechten in Utrecht en behaalt in oktober 1970 zijn doctoraal bestuursrecht met als hoofdvakken staats- en administratief recht.

Meinte Abma heeft ambities en met twintig jaar bestuurservaring solliciteert hij naar de burgemeesters functie in Hennaarderadeel. Hij wordt aangenomen en Meinte Abma keert met zijn gezin in 1973  terug naar Friesland. 

Wout jr. en Katinka Zijlstra, broer en zus, zijn geboren aan de Folsgeasterleane en opgegroeid aan de Tsjaerddyk.

Als kinderen van Wout Zijlstra, de sterkste man van Nederland, wordt de sport hun met de paplepel ingegoten.  Ze worden lid van atletiekvereniging Horror in Sneek. Ze maken vele trainingsuren op de baan en behalen vele successen op het allerhoogste niveau in Nederland. Beiden blonken met name uit in het kogelstoten en discuswerpen. Wout had zich daarnaast toegelegd op de meerkamp.

Zowel Katinka als Wout kreeg last van blessureleed en ze hebben daarom het besluit genomen dat het genoeg was, dat het tijd was voor iets anders. Ze trainen zelf nog wel om in goede conditie te blijven, maar geen  topsport meer.

Na het afronden van zijn VWO opleiding in Sneek, volgt Wout nu de studie Natuurwetenschap- en Innovatiemanagement aan de universiteit van Utrecht.  Vaak is hij daar niet, het grootste deel van de opleiding bestaat uit zelfstudie.

Katinka volgde een VMBO opleiding theoretisch en deed daarna een opleiding in de zorg. Ze heeft aansluitend een aantal jaren in de thuiszorg gewerkt.

Wout jr. en Katinka hun vader Wout sr. liep al een tijdje rond met het plan om een punt te zetten achter een geweldig leven in de krachtsport. In 2019 was hij al gestopt met de doordeweekse trainingsavonden. De coronacrisis ( 2020-2022) dwingt hem nu om helemaal te stoppen met de krachttrainingen in zijn boerderij. Ook de strongman-trainingen ( het omkiepen van banden, het slepen en tillen van zware gewichten en melkbussen) op zijn erf en in zijn weiland zijn voorbij.  Hij zet zijn fitnessspullen te koop en sluit voorgoed de deuren.                                                                                                                      

                            

Op 30 april 1847 bevalt Anneke Sytzes Osinga, echtgenote van Hilbrand Rintjes Boschma, van een zoon die Jouke wordt genoemd. Jouke Hilbrands, de een na jongste van het gezin, brengt zijn jeugd door op een boerderij aan de Tsjaerddyk onder Folsgare. Hij gaat naar de openbare lagere school in Folsgare, opgericht in 1843, krijgt les van meester Reitsma en later Nauta.Thuis leert Jouke het boerenbedrijf van zijn vader en oudere broers.

Jouke wordt op 30 april 1867 opgeroepen voor de nationale militie.Het is lotingsdag en Jouke trekt nummer 57. Een laag nummer, dat houdt in dat hij in dienst moet.

Jouke trouwt op 4 mei 1867 met Botje Rinkes Groenveld uit Heeg. Het paar gaat in Oosthem wonen waar op 17 augustus 1867 hun eerste kind Rink Joukes wordt geboren.     

Jouke Hilbrands kan geen vrijstelling van dienst krijgen maar er is een mogelijkheid om je te laten vervangen door een ‘remplaçant’. Een remplaçant is iemand die zich dat jaar niet hoeft aan te melden en dus vrijwillig dienst neemt. Van deze plaatsvervanging wordt bij notariële akte “een contract van plaatsvervanging” opgesteld.

Jouke heeft Tjeerd Deinum uit Nijland in de arm genomen om voor hem een plaatsvervanger te zoeken. Tjeerd heeft Jan Berkenbos bereid gevonden om tegen betaling de dienst van Jouke over te nemen en laat een “contract van  plaatsvervanging” opmaken:

“Op heden den zeven en twintigste juni des jaars een duizend acht honderd zeven en zestig, compareerden voor ons Ansko van der Plaats Notaris residerende te Leeuwarden:Tjeerd Deinum, koopman wonende te Nijland als bij monde gelastigde van Jouke Boschma van boerenbedrijf wonende te Oosthem, loteling voor de dienst bij de nationale militie over dezen jare in bovenstaande gemeente en al daar getrokken hebbende nummer 57 het welk tot den actieven verpligt door voltrokken huwelijk meerderjarig geworden requirant ter eenre en Jan Berkenbos, smidsknecht wonende te Sneek requireerde ter andere zijde”  

Jan Berkenbos neemt voor f 250,--  de dienst van Jouke Boschma over.

Sjerp Gerbens en Sjoukje Willems trouwen op 31 oktober 1786 in Jorwerd.  Ze worden daar boer en boerin en in 1787 wordt Antje Sjerps geboren. In 1788 verhuizen ze naar het iets verderop gelegen dorpje Baard. Na de komst van twee dochters wordt hun zoon Willem Sjerps geboren in 1792. Na nog drie dochters, krijgen ze weer een zoon in 1802, Gerben Sjerps. Daarna volgen nog een dochter en een zoon.

Antje Sjerps trouwt in 1809 met Hielke Pieters Wiersma uit Abbega. Hielke Pieters is boerenzoon en het paar begint met de steun van Hielke Pieters zijn vader Pieter Rienks, een eigen boerenbedrijf in Abbega.

Willem Sjerps gaat, net als zijn oudste zuster, rond 1812 naar Abbega en wordt daar boerenknecht. Hij ontmoet hier Japke Pieters Boomsma, dochter van Pieter Gerrits Boomsma en Antje Freerks Bouwma,  boer op de pastorieboerderij.

Willem Sjerps en Japke Pieters trouwen in 1816 en beginnen een winkeltje in het dorp. Dit brengt te weinig op en een jaar later regelt schoonvader dat Willem Sjerps boer wordt op de kerkboerderij aan de Rige vlak bij Abbegeasterketting. In 1817 wordt Antje Willems geboren. Daarna komen er nog 7 kinderen van wie er drie jong overlijden.

In 1830 verhuist de familie Twijnstra naar Folsgare. In het dorp staan, behalve een kerk en een pastorie boerderij, nog maar vijf huizen. Aan de zuidkant van de Tsjaerddyk is een timmerbedrijf (Tsjaerddyk 42), een winkel / herberg (Tsjaerddyk 38), een slagerij (Tsjaerddyk 36 e.v),  aan de noordkant een koemelkerij (latere Tempel) en een kerkhuis.

Het gezin Twijnstra trekt in  bij  Kerst en Jacob Arjens en Willem Sjerps wordt slager van beroep. In Folsgare worden nog eens zes kinderen geboren en er overlijden twee kinderen.

Een wandeling over de Tsjaerddyk begin 1900 vanaf nummer 48 naar 26 aan de zuidzijde en via de noordzijde terug.

Op de beginfoto staat links de woning van het hoofd van de school en rechts de school na de verbouwing in 1908.

Op de achtergrond een boerderijtje, nu Easthimmerwei 1, dat gebouwd is op de kruising van de Tsjaerddyk, Suderbuursterleane, Kerkwech en de Bredeleane (Skeender) waar Douwe Eppinga en Tjitske van der Wal met hun kinderen Marten en Trijntje in 1904 zijn komen wonen.

Als zij rond 1910 uit het raam kijken, hebben ze ruim uitzicht op de Tsjaerddyk. De Suderbuursterleane is nog een onverhard voetpad (Easthimmerwei) dat ophoudt bij het bruggetje over de Folsgaaster opvaart. Hun zoon Marten zal later timmerman worden in het dorp.

Kijkend richting Tsjaerddyk ligt links eerst de afgegraven terp ‘het tsjerke pôltsje’ waarop de pastorie stond die in 1701 is afgebroken. ( venster: De pastorie van Folsgare) Het stukje grond is eigendom van de kerk en wordt verhuurd aan Yde van de Lageweg met de bepaling dat er geen varkens gehouden mogen worden.

In het eerste huis aan de linkerzijde wonen Ruurd Rientses Abma en Johantje Martens Visser met hun kinderen. Lucas Elzinga heeft het huis rond 1878 laten bouwen. Ruurd Rientses verkoopt manufacturen maar heeft geen winkel. Hij gaat met een rugzak vol met lappen stof bij de deuren langs. 

Hiernaast staat de school met de bijbel, gebouwd in 1886. ( venster: Tweede schoolgebouw van Folsgare) Meester van der Brug is in 1904 aan school gekomen en maakt de verbouwing in 1908 mee. Er komt een tweede lokaal en dus moet er ook een tweede leerkracht komen. Dit wordt  juffrouw  Elisabeth van der Molen. 

Age Jans de Vries uit Joure is in 1836 bij timmerman Johannes Paulus Spiering in dienst als timmerknecht in de nieuwe timmerzaak op Tsjaerddyk 44. Hij krijgt verkering met Baukjen Ades Jorwerda, die dienstmeid is in het dorp.

“It is mienens” en ze trouwen in 1837 in Folsgare waar ze ook gaan wonen. Hun tweede kind Aede wordt op 29 juni 1842 geboren. Aede wordt door zijn vader opgeleid om net als hem timmerknecht te worden. Aede groeit voorspoedig op en leert lezen en schrijven op de nieuwe school.

In 1852 verhuist het gezin naar Oosthem. Als Aede 18 jaar oud is overlijdt zijn vader, nog maar 53 jaar oud. Aede is nu als oudste zoon plotseling gezinshoofd en moet de kost verdienen voor het gezin. Zijn toekomstplannen worden hierdoor uitgesteld maar uitstel betekent geen afstel. Als hij 34 jaar is, is hij weer vrij om zijn leven op te pakken. Hij trouwt met de 20 jarige Marijke Zandstra en gaan in  Folsgare op het ’t Streekje wonen waar hij als timmerknecht begint bij Auke van der Velde. In 1877 verhuizen ze naar Hichtum waar Age Aedes wordt geboren. Na zijn geboorte gaan ze in 1879 weer terug naar Folsgare.

Aede de Vries koopt in 1879 de westelijke helft van het perceel van de voormalige slagerij/bakkerij (kadaster no 713). Op dit perceel staat de oude koestal van de slagerij en hierin begint hij zijn klusbedrijf. Hij moet echter van de grond af beginnen maar krijgt o.a. door de kerkvoogden werk aan de kerk, toren en de kerkhuizen toebedeeld. Na een paar jaar gaat het goed met het bedrijf en hij bouwt rond 1880/1881 een woonhuis voor zijn bedrijf (Tsjaerddyk 28).

 

Timmerman Johannes Paulus Spiering uit Folsgare bouwt rond 1842 een dubbele woning naast de winkel van Sjerp Piersma (Tsjaerddyk 36). De woningen zijn niet even groot, woning a) is een starterswoning en woning b) een ééngezinswoning. De bleek, het stalt, de regenwaterbak, het secreet en de asbak achter de woningen zijn voor gezamenlijk gebruik.

 Als de bouw in 1842 gereed is melden Murk Lykles Postma, boerenarbeider, en Stijntje ten Kate zich voor de ééngezinswoning.  Zij  zijn getrouwd 1838 getrouwd. Op 12 mei 1862 verhuizen ze naar Oosthem.

 Gerrit Willems Twijnstra en Anke Joukes Boschma worden de volgende bewoners. Na het overlijden van Anke Joukes in 1869 neemt Afke Hoogma als inwonende dienstmeid de zorg voor het gezin over. In 1870 verhuizen ze naar het nieuwgebouwde huis naast de Tempel (Tsjaerddyk 47).

 Theunis Smeding en Aaltje Couperus betrekken daarna de woning. Aaltje is de dochter van Epeus Couperus, winkelier op Tsjaerddyk 38.

 Zytse Asses Vierstra is de eerste bewoner van de starterswoning. Hij is vrijgezel en werkt bij de boer. In 1851 trouwt hij met Johanna Haitsma. In 1857 verhuizen Zytse en Johanna met hun kinderen naar Oosthem.

 De volgende bewoners zijn Pieter Gerrits Oppenhuizen en Trijntje Klazes Breeuwsma, dochter van Klaas Feddes Breeuwsma, boer in Folsgare (nu Wallemadyk). Ze zijn in 1857 getrouwd en dit is hun eerste woning. In 1859 verhuizen ze naar Wolsum.

 Wytse Jelles de Boer en Janke Bergsma komen nu in de woning.  Op 16 mei 1862 overlijdt Wytse Jelles, Janke bevalt tien dagen later van een dochtertje. Janke verhuist met haar kindje naar Oosthem.

 Vervolgens woont Jouke Osinga gedurende een jaar in de woning.

Janke is in 1864 hertrouwd met Folkert Jonkmans en samen met Folkert keert ze terug naar de woning aan de Tsjaerddyk. Met 3 kinderen verhuist het stel in 1873 naar Harlingen.

 Andries Smeding en Grietje van der Zee wonen na hun huwelijk in 1873 in de woning.  Het pand wordt in 1875 door Epeus Couperus te koop gezet. Andries Smeding woont op dat moment  in de starterswoning, zijn broer Theunis in de ééngezinswoning. Het pand wordt gekocht door Douwe Feenstra.

 

 

Op de zijkant van de gevel, boven het winkelraam, hangen twee borden waarop reclame wordt gemaakt voor “Van Nelle Koffie en Thee”. Eronder staan Anne Sjirks en zijn zoontje Sjirk Annes

In 1841 bouwt timmerman Johannes Paulus Spiering in Folsgare tegenover het kerkhuis een winkel met daar achter een woning. Hij heeft het perceel gekocht van Roel Uiltjes die ernaast woont en hoopt later een koper voor het pand te vinden. Als het pand klaar is, huren Kornelis Sjerps Piersma en zijn vrouw Hjebbeltje Sjoerds Sjaarda de winkel. Kornelis werkt als arbeider en zijn vrouw Hjebbeltje bestiert de winkel en het huishouden.

Kornelis en Hjebbeltje hebben de zaken goed voor elkaar en kopen in 1843 de zaak van Johannes Spiering. De winkel loopt goed zodat Kornelis stopt met zijn baan bij de boer en zich helemaal op de winkel stort. In 1853 overlijdt Hjebbeltje (die in het dorp Habeltje genoemd wordt). Kornelis is zijn steun en toeverlaat kwijt en kan het huishouden en de winkel niet alleen af. In 1856 zet hij de winkel te koop en verhuist in 1858 naar Oosthem. Hij verhuist in 1872 weer naar Folsgare en overlijdt daar op 80-jarige leeftijd(1880)

Sjirk Annes Cnossen en Eelkjen Johannes Grijpsma komen na hun huwelijk in 1856 naar Folsgare waar ze de winkel van Kornelis Piersma overnemen.

Trijntje, de oudste dochter van Sjirk Annes, (geboren 1859) gaat in 1874 naar Abbega, waar ze dienstmeid wordt. In 1880 komt ze zwanger weer thuis en bevalt van zoon Sjirk. Wie de vader is, blijft onbekend en haar moeder Eelkjen raakt hierdoor zo van slag dat ze in Franeker moet worden opgenomen. Kleinzoon Sjirk overlijdt op 6 november 1880, drie maanden oud en op 26 november overlijdt Eelkjen in Franeker.

Het gezin Cnossen heeft een zware tijd achter de rug maar met de steun van de kleine gemeenschap van Folsgare komt het leven weer op de rails.  Grietje, de jongste dochter ( geboren 1865), zorgt voor haar vader en haar jongste broertje Anne Sjirks ( geboren 1869). 

Deze Anne Sjirks trouwt in 1895 met Antje of Anna Annes de Jong uit IJsbrechtum. Hij is dan koopman en winkelbediende bij zijn vader.

 

In 1859 wordt door de kerkvoogdij de bouw van het nieuwe kerkhuis aan de Tsjaerddyk opgedragen aan timmerman Pieter Willems Twijnstra uit het dorp. Het huis komt  tussen de winkels van Epeus Couperus en Sjirk Annes Cnossen te staan. Eind 1859,  als het huis is opgeleverd, stuurt Pieter Willems de rekening naar de kerkvoogdij met een bedrag van fl 555,56. De rekening wordt betaald met de opbrengst van een partij terpaarde.

Het nieuwe huis is een stuk kleiner dan het kerkhuis aan de noordzijde van de Tsjaerddyk. Dit blijkt ook uit de huurprijs. Die van het kerkhuis noord is in 1860 fl. 45,- en van het huis aan de zuidkant fl.25, - De eerste huurder van het nieuwe kerkhuis is Grietje Sipkes Bleeker, weduwe van Meinte Klazes Zijlstra, die er samen met haar dochter Sytske gaat wonen. Sytske woont er met haar moeder tot haar huwelijk in 1869 met Willem Wieringa die schipper is in Loënga. Na hun trouwen gaan ze in Sneek wonen en Sytske raakt al snel zwanger. Als ze acht maanden zwanger is, overlijdt Willem na een kort ziekbed op 20 maart 1870. Een maand later, op 28 april 1870, wordt Pieter Willem geboren. Sytske is weduwe, met een baby, zonder inkomen, in een voor haar vreemde omgeving. Ze zegt de huur op en begin juli 1870 komt ze terug in Folsgare en trekt met Pieter Willem bij haar moeder in. Haar moeder is koopman van beroep en Sytske wordt naaister om een inkomen te krijgen. Pieter Willem wordt door zijn moeder onderwezen in het vak dat ze zelf uitoefent en hij wordt later dan ook kleermaker van beroep. In juni 1882 overlijdt Grietje Sipkes Bleeker. Ze is dan 77 jaar. Sytske woont daarna samen met haar zoon Pieter Willem in het kerkhuis. Sytske hertrouwt in 1884 met Douwe Feenstra en in 1885 verhuist het gezin naar Nijland.

 

 

 

Op 22 mei 1870 trouwt Sybe Cornelis zijn dochter Trijntje met smidsknecht Lourens Lutgendorff uit Sneek. Sybe wil dat het jonge stel na hun huwelijk een goede start kan maken. Hij heeft daarom een overeenkomst gesloten met timmerman Pieter Willems Twijnstra uit Folsgare. Pieter Willems bouwt aan de Tsjaerddyk een smederij en Lourens Lutgendorff zal het pand voor tenminste vijf jaar huren, voor een bedrag van fl 169, - per jaar. Sybe Corenelis Nijdam staat , als eigenaar van een scheepswerf in Sneek, voor het jonge stel  garant.

 

Lourens en Trijntje vestigen zich volgens plan na hun huwelijk aan de Tsjaerddyk. Lourens Lutgendorff is een zeer eigenzinnig persoon en hij ligt al snel met de kerkvoogden en andere mensen in het dorp overhoop. Na vijf jaar houdt Lourens Lutgendorff het dan ook voor gezien in Folsgare en koopt hij de smederij van Ynte Roode in Makkum.

Timmerman Pieter Willems Twijnstra vertrekt uit Folsgare en wordt boer in Abbega. Hij wil van de smederij af en zet de zaak te koop. Reinder Hendriekus Monkel, stadsomroeper uit Sneek, brengt een bod uit van fl 1661, - . Dit bod wordt afgewezen en het pand wordt uit de verkoop gehaald. Na het vertrek van  Lourens Lutgendorff  in mei 1875, komt Albert de Hond als nieuwe huurder in het bedrijfspand voor een termijn van twee jaar. Hij betaalt een aanzienlijk lager huurbedrag van fl 140, - per jaar. Twijnstra wil toch van het pand af en in 1876 komt het weer te koop. Petrus Jentjes Greydanus, landbouwer te Oosthem, wordt voor fl 1740, - de nieuwe eigenaar.

 

 

 

 

Midden 19e eeuw stond aan de Tsjaerddyk een huis dat in de volksmond “de Tempel” werd genoemd. Het huis kreeg waarschijnlijk deze naam, omdat er op een klein oppervlak zoveel mensen woonden. In dit venster wordt de historie van het gebouw en zijn bewoners beschreven.

 

In 1751 trouwt timmerman Edger Scheltes uit IJsbrechtum met een meisje uit Folsgare, Ymkje Freerks. Het stel gaat in Folsgare wonen ( Tsjaerddyk 42). Edger timmert veel voor de kerk. Dat is terug te vinden in het kerkarchief als hij reparaties heeft uitgevoerd.  In 1783 komt Edger  te overlijden en volgens het kerkarchief volgt zijn jongste zoon Freek hem op als timmerman. Tot  het jaar 1791 wordt hij regelmatig genoemd bij kerkreparaties.  

 

De oudste zoon Schelte Edgers is boer en heeft een koemelkerij  op de Tsjaerddyk. Zijn bedrijf omvat de huidige huisnummers 41-47. Schelte  blijft vrijgezel,  maar  woont niet alleen. Hij heeft een huishoudster, Pietje Baukes, afkomstig uit Hennaard. Haar ouders zijn Bauke Sybes en Hiltje Jans. Pietje haar vader is kuiper in Hennaard. 

In 1811, als iedereen van Napoleon een achternaam moet aannemen, noemt hij zich daarom ook Kuipers. Ook Schelte moet in 1811 een achternaam kiezen. Hij kiest voor de naam Dijkstra, waarschijnlijk omdat hij aan de Tsjaerddyk woont.

 

Behalve van de koemelkerij op de Tsjaerddyk nr 41-47, is Schelte Edgers ook eigenaar van de winkel annex timmerzaak op  Tsjaerddyk nr. 42 en het perceel daarnaast. Dit perceel, nu Tsjaerddyk nr. 38-40, wordt als moestuin gebruikt.

 

In 1818 overlijdt Schelte op 65 jarige leeftijd. Hij heeft blijkbaar een goede en warme band met zijn huishoudster Pietje Kuipers gekregen, want al zijn bezittingen gaan naar Pietje Kuipers.

Zij krijgt niet alleen het onroerend goed. Pietje erft ook een voor die tijd fors bedrag aan geld. Pietje Baukes Kuipers is van huishoudster nu boerin geworden en is blijkbaar daarmee ook een stuk aantrekkelijker op de huwelijksmarkt. In 1820 trouwt Pietje op 44 jarige leeftijd met de veel jongere Hendrik Uiltjes Hoekstra uit Terherne. Hendrik is pas 29 jaar en als zoon van een schipper zal hij niet erg rijk zijn. Hij vindt in Pietje een goede partij.

 

Tussen de latere Tempel en het kerkhuis aan de noordzijde van de Tsjaerddyk is in 1832 nog een stukje onbebouwde grond.

Rond 1848 bouwt timmerman Johannes Paulus Spiering een huis op dit kleine perceel. Het pand komt niet aan de weg te staan maar krijgt een klein voortuintje, waar hij twee lindebomen plant als zonwering.

Johannes Spiering en zijn vrouw Trijntje Harmens Dijkstra gaan met hun zoon Paulus Johannes in het huis wonen. Timmerman Spiering overlijdt in 1849.

Pieter Willems Twijnstra neemt de timmerzaak  van Spiering ( nu Tsjaerddyk 44) over. Trijntje Harmens verkoopt het huis en verhuist in 1851 met haar zoon naar Oosthem. Het huis wordt verhuurd. In 1855 komt Grietje Sipkes Bleeker, sinds 1846 weduwe van Meinte Klases Zijlstra, er met haar twee kinderen Klaas en Sytske wonen. In 1860 komt het huis in de verkoop.

Het pand wordt gekocht door Klaas Gerrits van der Meer. Hij verkoopt de woning weer in 1861 aan Durk Okkes Baarda, die er per 12 mei 1862 over kan beschikken. Durk is op 4 mei 1861 getrouwd met Fedtje Fokkes van der Meer. Durk en Fedttje krijgen in Folsgare twee zoons, Fokke en Okke. Fokke wordt al op jonge leeftijd schoenmakersknecht bij Douwe Lucas Elsinga. Hij wordt later schoenmaker in Itens en trouwt in 1887 met Trijntje Eisma. Het paar keert voor korte tijd terug naar Folsgare. Fokke heeft dan een schoenmakersknecht nodig.

Okke gaat al jong mee naar de boerderij en wordt net als zijn vader boerenknecht. In 1893 verkoopt Durk Okkes het huis aan Taede Ruurds Abma ( boer op Carpe Diem, Folsgeasterleane 4).

Durk en Fedttje verhuizen naar Spannum, waar Durk Okkes in 1897 overlijdt.

Na de 2e W.O, bestaat Folsgare nog steeds uit één straat, de Tsjaerddyk, die soms ook de Buorren wordt genoemd. Aan deze straat staan de kerk, de school, de pastorieboerderij en zestien, meest oudere, woningen. Het dorp heeft echter behoefte aan nieuwe woningen want huurwoningen zijn er bijna niet meer. De Tempel is afgebroken en de woningen aan het Streekje zijn oud. Van de twee huurwoningen van de kerk is het huis aan de noordzijde verkocht en het huis aan de zuidzijde van de Tsjaerddyk is oud en erg klein.

Dorpsbelang is er druk mee om nieuwbouw te realiseren. In 1948 is het zover dat er aan de noordzijde van de Tsjaerddyk, naast het voormalige kerkhuis, tegenover het huis van aannemer Marten Eppinga, twee blokjes van twee onder één kap woningen gebouwd zullen worden.

Vanuit zijn woonkamer kan Eppinga volgen hoe de bouw van de woningen door Feenstra uit Nijland vordert. Dat gaat niet  zonder problemen. Als tijdens de bouw een zware storm over het dorp trekt, liggen de kajuiten van de nieuwbouw op straat. Ondanks de tegenslag worden de sociale huurwoningen in 1949 opgeleverd. Ze krijgen de nummers  Folsgare 10, 9, 8 en 7.

Deze nummers worden in 1974 omgezet in Tsjaerddyk 33,  35,  37 en 39 .

De woningen worden in het begin gebruikt als arbeiderswoningen voor de boeren in en rond Folsgare.

In september 1949 verhuizen Hendrik Johannes Oppenhuizen en Annigje Tjalsma met hun vijf kinderen  vanuit  Oosthem naar het eerste nieuwbouwhuis in Folsgare gezien vanaf Nijland, nummer 33. Hendrik werkt bij Hessel Boschma op Walma State.

Per 1 januari 1886 wordt de openbare school in Folsgare door de gemeente opgeheven. Dit bericht komt niet als donderslag bij heldere hemel, want de ouders hebben aangegeven dat ze christelijk onderwijs voor hun kinderen willen. Hiertoe was al een commissie opgericht tot bevordering van christelijk onderwijs te Folsgare. Wanneer de statuten op 7 maart 1886 bij koninklijk besluit worden goed gekeurd,  is de vereniging een feit. In september 1886 komt het bestuur weer samen.. De voorzitter Ds. E. C. Gravenmeijer opent de vergadering met gebed. Op de agenda staat als voornaamste punt: de bouw van de nieuwe school. Op de aanbesteding zijn veertien inschrijvingen binnengekomen. De laagste inschrijving is van timmerman Asma uit Heeg en de bouw zal hem worden gegund, tot er iemand opmerkt: “Is hij niet Rooms? ”. Dan valt er een stilte, dit hadden ze niet voorzien. Dit feit is zo ernstig, dat de bouw wordt gegund aan de volgende op de lijst, timmerman Walsmeer uit Wons.  

De nieuw te bouwen school komt tegenover de oude school te staan. Net als bij de eerste school mag het niet ten koste gaan van een stuk weiland en daarvoor zal het laatste doorlopende stuk Tsjaardvaart worden gedempt.

De eerste steen wordt gelegd op 22 oktober 1886 door H.E. Gravenmeijer, de zoon van de voorzitter. Op 20 april 1887 wordt de school geopend. Het tijdelijk aangestelde hoofd van de christelijke school, J. Wielinga uit Gauw, wordt nu vervangen door de eerste onderwijzer aan de nieuwe school, Johannes Steenbergen uit Wommels.

 

 

De kerk in Folsgare is genoemd naar de heilige Laurentius. Deze heilige was diaken bij paus Sixtus II en had de zorg  over  de vondelingen, armen en wezen. Kerken die genoemd zijn naar deze heilige, hebben vaak een hoge ouderdom.

De paus werd op 6 augustus van het jaar 258 gevangengenomen en onthoofd. Laurentius kon eerst nog ontkomen. Hij nam al het geld mee en verdeelde dat onder de armen. Kort daarna werd ook hij gepakt. Omdat de Romeins keizer Valerianus geldgebrek had, werd Laurentius uitgehoord. Toen bleek dat hij al het pauselijke geld had weggegeven, werd de keizer woedend. Hij liet Laurentius bewerken met gloeiende staven. Die liet echter niets los. Daarom werd hij op een rooster gelegd, waaronder een vuur werd opgestookt. Na enige tijd - zo wil althans de legende - riep Laurentius: ,,Keere mij om, er is slechts één zijde gaar!’’

Eind 18e eeuw is de kerk, gebouwd rond 1532, bouwvallig geworden en de onderhoudskosten nemen toe. Het gebouw is bovendien te klein geworden om alle kerkgangers altijd een plaats te kunnen geven. Het wordt tijd voor een nieuwe en grotere kerk.

In 1769 nodigen de kerkvoogden van Folsgare een predikant uit om met hem ideeën uit te wisselen hoe de nieuwe kerk er uit zou moeten  zien. Via het toegangsbruggetje over de gracht gaan ze door de zuidingang, de manneningang, naar binnen.

Het eerste advies is dat de vrouweningang aan de noordzijde, die niet meer wordt gebruikt, kan vervallen. Dan staan ze in het midden van de kerk stil bij de preekstoel, die volgens de predikant beter achter in de kerk kan komen op de plek waar nu de graftombes van de Hobbe Zyarda en zijn vrouw Foeckel van Roorda staan. Als ze weer buiten staan en naar de toren kijken die in een zeer slechte staat verkeerd, adviseert de predikant om deze te vervangen door een slanke toren met spits.

 

De kerktoren van Folsgare staat al eeuwen als baken in het dorp. Boven in deze toren hangt sinds 1535 een klok die onverstoorbaar zijn werk blijft doen.

Op de bovenrand van de klok staat het volgende geschreven:

Jhezus Maria Johannes Gheert van Wou ende Johan ter Steghe goten

mij toen men schreef 15 ende 35 daer bij.

De klok is in 1535 gegoten door Geert van Wou en Johan ter Steghe. Geert van Wou is de zoon van de beroemde klokkengieter met de gelijknamige naam uit Kampen.  Geert van Wou sr.( 1450 – 1527) wordt beschouwd als de belangrijkste klokkengieter die Europa gekend heeft.

In die tijd werd een klok vaak nog ter plekke gegoten. De wegen waren te slecht en te onveilig om een klok te vervoeren. Men wilde bovendien een oogje in het zeil houden op de samenstelling van het brons. De plek waar de klok werd gemaakt, was meestal op het kerkhof of in een ruimte onder de toren.

Het luiden van de klok kan opgedeeld worden in het tijdluiden, het zondagsluiden en het luiden bij bijzondere gebeurtenissen zoals bij overlijden, gevaar, rouw etc.

Het tijdluiden is het driemaal daags luiden van de klok. Dat gebeurt ‘s ochtends aan het begin van de werkdag, vervolgens om twaalf uur voor de middagpauze en tenslotte ’s avonds aan het einde van de werkdag.

In deze tijd zijn er nog geen horloges en is dit luiden voor de mensen het houvast gedurende de dag. Bij de middagklok van twaalf uur weten de arbeiders op het land dat het schafttijd is, de moeders zetten het eten op tafel, de kinderen mogen uit school.

De koster ging driemaal daags naar de toren om de klok te luiden. In het kerkarchief vinden we dat Here Jentjes wordt betaald voor een “jaar  klockluiden”. Hiervoor krijgt hij 7 carolusgulden. Jentjes heeft dit betaalde luiden gedaan van 1743 tot 1755. Daarna wordt het klokluiden niet meer specifiek genoemd. Het luiden hoort bij de vele werkzaamheden die een koster geacht wordt te verrichten.

Het tijdluiden is in Folsgare gestopt met de komst van het elektronisch luiden van de klok ( 1947)

In 1902 wordt besloten om achter in de kerk een houten schutting te plaatsen om zo een voorportaal te creëren. Er is nog enige discussie of het zeildoek of hout moet worden maar de meerderheid gaat voor een houten schutting. Er is nu een open ruimte, maar als je daar een plafond in zou plaatsen, ontstaat er een vloer waar een orgel op zou kunnen staan. In september 1907 wordt er een buitengewone ledenvergadering uitgeroepen met als onderwerp: het aanschaffen van een orgel voor de kerk van Folsgare.

De weleerwaarde dominee van Reeuwijk heeft de kerkvoogden erop gewezen, dat Folsgare één van de weinige kerkgemeenten is, die nog niet een kerkorgel bezit. Dominee heeft vernomen dat de evangelische vereniging in Bolsward haar orgel te koop aanbiedt voor een niet al te grote som geld. Een goede gelegenheid om een orgel, inclusief galerij, voor het kleine bedrag van fl. 950,- aan te schaffen. De kosten voor het afbreken en de opbouw komen hier overheen, de totale kosten zullen ongeveer fl.1400,- à fl.1500,- bedragen. Na een stevige discussie wordt overgegaan tot stemming. De meesten zijn voor, al is het enthousiasme niet groot. Er zijn vijf tegenstemmers. De kerkvoogden zullen met een deskundige een onderzoek instellen. Valt dit goed uit, dan zullen de heren Abma en Zoethout met een intekenlijst rondgaan. Is het omgekeerde het geval dan is de zaak afgesloten. Er komt geen intekenlijst en geen orgel.

Begin 1920 komt de aanschaf van een orgel weer op de agenda. Ds. Karres bepleit de wenselijkheid tot het plaatsen van een orgel in de kerk. Hij stelt voor om een orgelfonds op te richten. De gelden hiervoor zouden gevonden kunnen worden uit vrije bijdragen van de leden in Folsgare en in de zustergemeenten. Hij stelt zich beschikbaar om met één van de leden een inzameling te houden. De kerkvoogden staan er echter koud tegenover want de financiële positie van de kerk is niet al te best. Besloten wordt om de behandeling van deze kwestie tot de volgende vergadering uit te stellen. Op de vergadering van maart 1921 krijgen de kerkvoogden de opdracht om te vragen wat het kerkorgel van Abbega moet gaan kosten om daarna verdere plannen te kunnen maken.

 Strûpenkeal is een terp vlakbij Folsgare. Vanaf het viaduct over de A7 bij de afslag Sneek komend uit de richting van Bolsward, is een kronkelend restant van de oude molensloot te zien en rechts staat een terp in het landschap, omringd door bomen. Het is een voor deze regio zeer hoge terp,  ruim 3 meter. Voor velen een onbekend, maar tegelijkertijd uniek monument.

Voordat de terp werd aangelegd, is er al bewoning op deze plek geweest. Tussen vondsten in de terpzool van de terp kwamen scherven uit de late ijzertijd / begin romeinse tijd tevoorschijn, samen met enkele tientallen brokken ruwijzer dat wolf wordt genoemd. Deze wolf is geproduceerd in  laagovens die gevuld werden met ijzeroer wat in ruime mate voorhanden was in en langs de Ald Rien of Groote Rijn. Voor de mensen die zich hier ruim twee eeuwen voor het begin van de jaartelling vestigden, zal de aanwezigheid van grote hoeveelheden ijzeroer een beslissende factor zijn geweest. Vondsten van Romeinse munten ten noorden van de terp geven aan dat de bewoners  contact hebben gehad met de buitenwereld.

Er zijn rond Strûpenkeal meerdere veenterpen gevonden, wat aangeeft dat het een voor die periode dichtbevolkt gebied is geweest.

Door een klimaatverandering kort na het begin van de jaartelling stijgt het zeewaterpeil en worden die vroege bewoners van huis en haard verdreven. Op en rond de originele terp worden nog steeds aardewerk scherven teruggevonden uit die periode.

Rond de 8e eeuw komen mensen met hun bootjes de Ald Rien of  Groote Rijn afzakken, die zich gaan vestigen op de terp. Ze bouwen aan het water een nieuw onderkomen. Bij het graven naar zoet water vonden ze scherven onder een dikke kleilaag. Zo ontdekten zij dat ze niet de eerste bewoners waren.

De kleine terp groeit gestaag uit naar een grote en hoge terp die uiteindelijk ongeveer een oppervlakte zal krijgen van zeven pondemaat.

Er zijn nog geen dijken, de mensen wonen  met hun vee in deze tijd van vele overstromingen hoog en droog op de terp. Het voordeel van de overstromingen is, dat het zeewater zout achter laat in het veen. Zout is in die tijd een zeer waardevol artikel. Het winnen van zout uit het veen wordt zelnering genoemd. Het veen met zout wordt uitgegraven en verbrand in een speciale oven. De overgebleven as wordt vermengd met water en weer uitgekookt tot het zout overblijft. Dit eindproduct wordt gebruikt voor eigen gebruik of als betaalmiddel.

 

 

Op 25 december 1778 wordt in Hidaard Ruurd Freerks geboren, het negende kind van Freerk Murks Abma en Gerritje Roelofs. Ruurd Freerks  leert onder het toeziend oog van zijn oudere broers en zussen het boerenbedrijf thuis op de boerderij. Hij ontwikkelt zich tot een goede boer en heeft oog voor de samenleving. Aangezien hij het negende kind is, is de kans vrij klein dat hij boer zal worden op de ouderlijke pleats.

Echter, Ruurd Freerks leert  Hiltje Klazes Wiersma. ( geb. 26 februari 1781) uit Folsgare  kennen. Haar ouders  Claes Harmens en Baukje Teades wonen op een boerderij aan de Folsgeasterleane no 2, te zien op de de kaart van Eekhoff (1850) Het is een bescheiden boerderij met 35 pondemaat land er omheen. Via de opvaart vanaf de Ald Rien is de boerderij goed bereikbaar Claes Harmens en Baukje Teades zijn er erg mee ingenomen dat hun enige dochter thuis komt met boerenzoon Ruurd Freeks. Het stel trouwt op 25 oktober 1801

Zijn buurman Douwe Harmens boert op een boerderij (Strûpenkeal) ten zuiden van Ruurd Freerks.  Deze is ook 35 pondemaat groot en de boerderij ligt prachtig boven op een grote terp tegen de Ald Rien. De boerderij komt in de verkoop omdat één van de eigenaren is overleden.

Ruurd Freeks en Hiltje besluiten om de boerderij te kopen. Douwe Harmens blijft daar voorlopig blijven wonen tot de kinderen van Ruurd Freerks en Hiltje groot zijn. Hun gezin wordt uitgebreid met nog 2 kinderen. In 1811 overlijdt dochter Baukjen ( 6 jaar). In de jaren daarna worden nog drie kinderen geboren.

Oudste dochter Gerritje Ruurds trouwt in 1820.  Ruurd en Hiltje krijgen daarna nog 2 kinderen.

 

.

 

 

Vroeger stonden er in het gebied ten oosten van Folsgare tot aan Sneek veel boerderijen die door voetpaden met elkaar verbonden waren. Omdat deze voetpaden een groot gedeelte van het jaar onbegaanbaar waren, ging het vervoer over water. De meeste boerderijen zijn verdwenen en het gebied is grotendeels bedrijventerrein geworden. Er zijn nieuwe wegen aangelegd en in plaats van paarden en karren suizen er nu dagelijks duizenden auto’s over de aangrenzende snelweg.

Maar nog niet alles is verdwenen. Eenzaam staat er nog één boerderij als een herinnering aan vroegere tijden. Deze boerderij draagt de naam “Carpe Diem”. Er wordt niet meer geboerd, maar de boerderij heeft tot op de dag van vandaag de uitstraling van een trots verleden.

De boerderij kent een lange historie. Uit de archieven weten we dat op deze plek al heel lang geboerd wordt. In 1511 woonde hier een Broer Hottyaz. In 1778 is de boerderij eigendom van Johannes Hendriks en wordt gehuurd door Heere Cornelis. In 1786 laat Johannes Hendriks er een nieuwe boerderij neerzetten en hij zet in 1787 de volgende advertentie in de LC:

De Secretaris ADEMA, zal op Dinsdag den 11 December ’s Namiddags om één uur in de Witte Arend te Sneek by strijkgeld verkopen.

Een Stemdragende ZATHE en LANDEN, met een Nieuwgebouwde Huizinge en Schuure gelegen te Folsgare, groot over het geheel 61 en drie vierde Pondematen, alle beste griedlanden belast met 25 floreen, te huur doende boven alle lasten 330 Gl. by Heere Cornelis bewoond, Petry en May 1797 vry van Huur.

 

 

Naast de kerk in Folsgare staat een boerderij die de “pastorieboerderij “ wordt genoemd. Tijdens de kerstening van Fryslân, zo rond het jaar 750, werden er steeds meer kerken gesticht. Bij de stichting van de kerk hoorde een pastoriehoeve / boerderij. Dit was reeds in 819 bepaald in een handvest van Lodewijk de Vrome. Hij bepaalde dat bij elke te bouwen kerk een hoeve in vol bedrijf moest zijn gelegen, ten behoeve van het onderhoud van de pastoor. Het onderhoud van het pastoriegebouw in het algemeen, evenals van de kerk en toren, werd uit de kerkgoederen (patroons goederen) bekostigd.  Vaak was de pastoor naast priester ook boer en zeker in Fryslân kwam het ook vaak voor dat hij een vrouw en kinderen had.

In Folsgare ligt de pastorieboerderij naast de huidige kerk. In 1511 is hij 48 pondemaat groot, wat duidt op een welgestelde parochie. Het land dat bij de boerderij hoort, ligt in de Nieuwlander polder ten noorden van de hoeve en in latere tijd zal het land in het Marlân ten zuiden van de Tsjaerddyk er aan

toegevoegd worden.  In 1511 is het land verdeeld in ‘Grasland, Hoijland en Saedland’. Het ‘Grasland’ ligt tussen de Tsjaerddyk en het Middelpad. ‘Het ‘Hoijland’ ten zuiden van de Tsjaerddyk in ‘die Meeren’ met een klein perceel ten noorden van het kerkhof. Het ‘Saedland’ ligt langs het Middelpad. 

Het voorhuis van de pastorieboerderij zal gebouwd zijn omstreeks de 16e / 17e eeuw.  In het kerkarchief staat in het jaar 1746 de uitgaven post “Betaald voor onderhoud van huys van de Pastorije Zathe”.

De schuur van de boerderij is volgens een gedenksteen in de muur herbouwd in 1873. In het kerkarchief wordt een opmerking gemaakt dat de eerder gebouwde schuur door brand zou zijn verwoest.

 

 

 



Nomineer een onderwerp voor deze dorpscanon