Deel:


In 1902 wordt besloten om achter in de kerk een houten schutting te plaatsen om zo een voorportaal te creëren. Er is nog enige discussie of het zeildoek of hout moet worden maar de meerderheid gaat voor een houten schutting. Er is nu een open ruimte, maar als je daar een plafond in zou plaatsen, ontstaat er een vloer waar een orgel op zou kunnen staan. In september 1907 wordt er een buitengewone ledenvergadering uitgeroepen met als onderwerp: het aanschaffen van een orgel voor de kerk van Folsgare.

De weleerwaarde dominee van Reeuwijk heeft de kerkvoogden erop gewezen, dat Folsgare één van de weinige kerkgemeenten is, die nog niet een kerkorgel bezit. Dominee heeft vernomen dat de evangelische vereniging in Bolsward haar orgel te koop aanbiedt voor een niet al te grote som geld. Een goede gelegenheid om een orgel, inclusief galerij, voor het kleine bedrag van fl. 950,- aan te schaffen. De kosten voor het afbreken en de opbouw komen hier overheen, de totale kosten zullen ongeveer fl.1400,- à fl.1500,- bedragen. Na een stevige discussie wordt overgegaan tot stemming. De meesten zijn voor, al is het enthousiasme niet groot. Er zijn vijf tegenstemmers. De kerkvoogden zullen met een deskundige een onderzoek instellen. Valt dit goed uit, dan zullen de heren Abma en Zoethout met een intekenlijst rondgaan. Is het omgekeerde het geval dan is de zaak afgesloten. Er komt geen intekenlijst en geen orgel.

Begin 1920 komt de aanschaf van een orgel weer op de agenda. Ds. Karres bepleit de wenselijkheid tot het plaatsen van een orgel in de kerk. Hij stelt voor om een orgelfonds op te richten. De gelden hiervoor zouden gevonden kunnen worden uit vrije bijdragen van de leden in Folsgare en in de zustergemeenten. Hij stelt zich beschikbaar om met één van de leden een inzameling te houden. De kerkvoogden staan er echter koud tegenover want de financiële positie van de kerk is niet al te best. Besloten wordt om de behandeling van deze kwestie tot de volgende vergadering uit te stellen. Op de vergadering van maart 1921 krijgen de kerkvoogden de opdracht om te vragen wat het kerkorgel van Abbega moet gaan kosten om daarna verdere plannen te kunnen maken.

Folsgare is rond de elfde eeuw ontstaan aan de rand van de Middelzee.

Waar komt de naam Folsgare/ Folsgeare vandaan?

De Plaatsengids en Wikipedia verwijzen beide naar het Oudfriese gâra = geer, een wigvormend, spits toelopend stuk land dat in bezit is van een persoon met de naam Foldo of bewoond werd door iemand met die naam.

In de Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer staat onder Folsgare / Folsgeare:  gare = landtong, met mansnaam?

Het tweede deel van de naam:

Uit de lijst met schrijfwijzen van het dorp blijkt dat het achtervoegsel eerst vooral “gara”  was i.p.v.  “gare”.  De verandering  van “gara” naar “gare” heeft zich in de loop van de tijd voltrokken.

De Plaatsengids  en Wikidedia wijzen er op dat in het Oudfries “gâra” betekent:  geer `wigvormig, spits toelopend stuk land.

De Encyclopedie van Friesland schrijft dat “gare” landtong betekent.

Een weiland net westelijk van Schenerstate, heeft in de Floreen kohiers van 1700 de veldnaam “de Gare”. Dit stuk land grenst aan de noordzijde van het Middelpad of Legedyk. Deze naam is misschien de oorsprong voor de naamwisseling van het achtervoegsel van het dorp. De oude betekenis was wellicht in de loop der jaren niet meer van toepassing of bekend en beide, het dorp en het weiland zullen een landtong zijn geweest.

“Te gaer” betekent in het Oudfries “samenkomen”.

“Gear” in het Frysk heeft dezelfde betekenis als “Gara” , dus de Fryske naam heeft de oude betekenis overgenomen.

Folsgare, de naam

Dorpswapen en -vlag

Folsgeasters

Taede Ruurds Abma

Meinte Ruurds Abma

Meinte Jelles Abma

Gerben Abma

Gerben Willem Abma

Marco Rypma 

Wout Zijlstra

Wout jr. en Katinka Zijlstra,   de Zijlstra Gym

Clasina S. Flapper

Jouke Boschma

Willem Sjerps Twijnstra

Jentje Everts versus Hoyte Lolkes

Anne Wytzes

Woningen in de ‘buorren’  aan de Tsjaerddyk

Tsjaerddyk begin 1900

Tsjaerddyk 26  Koemelkerij

Tsjaerddyk Koemelkerij Willem Twijnstra

Tsjaerddyk 28 / 26b   Koemelkerij / Timmerbedrijf 

Tsjaerddyk 30  Koemelkerij / Bakkerij

Tsjaerddyk 32  Rentenierswoning

Tsjaerddyk 34  Schilder

Tsjaerddyk 36   Kruidenier

Tsjaerddyk Kerkhuis zuid

Tsjaerddyk 38   Kruidenier

Tsjaerddyk 40   Smederij

Tsjaerddyk 42  Timmerzaak / Kuiper / slagerij / SRV

Tsjaerddyk 44  Timmerzaak / Streekje

Tsjaerddyk 48   Schoenmaker

Tsjaerddyk 47  

Tsjaerddyk de Tempel

Tsjaerddyk het huis tussen de Tempel en Kerkhuis Noord

Tsjaerddyk Kerkhuis Noord

Tsjaerddyk 39 t/m 33   Nieuwbouw

Woningen buiten het dorp

Tsjaerddyk 22 / 24   it Reidpôltsje

School

De eerste School

De tweede School

Kerk

De kerk in Folsgare vanaf 1864 tot heden

De grafstenen van de Foekema’s

De pastorie van Folsgare

Het torenuurwerk van Folsgare

De kerkklok van Folsgare

Het orgel van de Laurentiuskerk

Boerderijen

Folsgeasterleane                           Breeuwsma Zathe

Folsgeasterleane                           De terp Strûpenkeal (Afgebrand)

Folsgeasterleane 2                        Afgebrand

Folsgeasterleane 4                        Carpe Diem

Folsgeasterleane 15                      Abma pleats

Tsjaerddyk 27   boerderij            

Tsjaerddyk 29   boerderij               Boschma pleats

Tsjaerddyk 49                                 Pastorie pleats

Straten

Garastrjitte

Aanleg Folsgeasterleane

Mieddyk

Diversen

Monument   De drie Monniken

Monument de Hoanne

De Tjaardvaart

Dorpshuis Yn’ e Lyte

Folsgare 1940 – 1945

Folsgare aan het spoor

Taede Ruurds Abma is op 30 juni 1826 in Folsgare aan de ‘leane’ geboren en wordt aangegeven op 1 juli 1826 door zijn vader Ruurd Freerk Abma met de getuigen Fedde Oeges Breeuwsma en Hendrik Uiltjes Hoekstra, beiden boer en buren van de ouders Ruurd Freeks Abma en Hiltje Klazes Wiersma.

Ruurd Freeks Abma oud zeven en veertig jaren boer wonende te Folsgare welke ons een kind van het mannelijke geslacht heeft voorgesteld, den dertigsten der maand Juny dezes jaars des avonds ten zes uren uit hem declarant en Hiltje Klazes Wiersma zijne Huisvrouw te Folsgare geboren, en aan het welk hij verklaard heeft de voornaam te geven van Tade.

Taede is het tiende kind van Ruurd Freerks en Hiltje Klazes en voor een naam moeten ze wat verder terug in de tijd. Hij wordt vernoemd naar zijn overgrootvader Tade.

Zijn beppe Baukje Taedes is in 1811 overleden. In de nalatenschap van Meinte Ruurds Abma staat een notitie waarin vermeld staat dat Baukje Taedes is geboren op 6 mei 1744. Uit het doopboek van de Hervormde gemeente Oudega, Idzega en Sandfirden blijkt dat haar ouders Tade Murks en Geertje Goverts zijn.  

Taede Ruurds wordt in de geboorte akte door zijn vader aangeven met de naam Tade precies zo als Baukje haar vaders naam geschreven wordt bij haar inschrijving in het doop register van Sandfirden.

Taede blijft de jongste van het gezin en is bijna zeven jaar oud als zijn vader Ruurd Freerks Abma, 54 jaar oud, op 16 maart 1833 overlijdt.

Aangevers zijn Taeke Jans Westendorp, oud zeven en dertig jaren, boer op Suderburen, en Wiebren Lolkes van Wieren, oud dertig jaren, boer op Strûpenkeal, beiden buren van de overledene.

Taede is boerenzoon en groeit net buiten het dorp op aan de ’leane’. Er is nog geen school en hij  krijgt les van zijn moeder en oudere broers en zusters. Het boerenwerk is een onderdeel van zijn opvoeding en als jongste zoon zal hij later als boer op de ouderlijke boerderij komen.      

Taede Ruurds is al op 18-jarige leeftijd gekozen tot kerkvoogd. Het maakt niet uit of je Teerde of Taede schrijft hij hoort nu wel bij de mensen die iets in de melk te brokkelen hebben.

Op 12 mei 1898 wordt  Meinte Ruurds Abma geboren in Hidaard. Zijn ouders Ruurd Taedes Abma en Hesseltje Brandsma verhuizen in 1905 naar Folsgare.  Op 11 mei 1922 trouwt hij met Akke Boschma, een dochter van Feike Boschma en Willemke Rollema. Hij wordt later boer op de “Blikken pleats” en geeft de boerderij de nieuwe naam Carpe Diem. Meinte Ruurds schrijft veel stukjes, het volgende verhaal is van zijn hand. Het verhaal is, zo veel mogelijk letterlijk, naar het Nederlands vertaald, de originele Friese tekst staat onder de Friese versie van de dorpscanon.

De verste herinnering aan paarden gaat terug naar Hidaard, waar ’s ochtends het paard voor de karnmolen liep. En dat bleef ook wel eens staan en dan kwam moeder door de deur van het karnvertrek en zei: krr, krr, en de zaak liep weer. In 1905 verhuisden wij naar Folsgare  en in 1907 werd de boerderij verbouwd. Toen kwam er weer een paard voor de karnmolen, maar nu ging het om de waterbak  (400 liter) op zolder vol te pompen.

Als jongen mocht je in de vakantie met het oudste paard er tussenin rijden bij het mesten, toen je wat ouder werd, kreeg je een wat schrikachtiger dier in handen, alles onder de voorwaarde “je mag niet zo jagen”. Met twee paarden voor de maaimachine werd al een wat groter blijk van vertrouwen gegeven. Als jongeman met een vriendin in de tilbury op hoogtijdagen naar Leeuwarden of naar Gaasterland waren hoogtepunten. Soldaat worden was er ook bij. “Waar wil je dienen?” werd ons bij de keuring gevraagd. “Bij de cavalerie”,  was het antwoord.

In 2002 krijgt dorpsbelang de vraag waarom Folsgare geen eigen wapen en vlag heeft.  Feike van der Velde wordt gevraagd een ontwerp te maken. Feike verwijst het dorpsbelang door naar de Fryske Rie foar Heraldyk.

Een dorpswapen is een wapen dat geen officiële status heeft, maar wel door het dorp, na toestemming van de gemeente waaronder de betreffende plaats valt, gebruikt mag worden.

De aanvraag voor een  wapen of vlag begint met het vragen van advies bij de Fryske Rie foar Heraldyk. De Rie is een onderdeel van de Fryske Akademy in Leeuwarden, die deze in 1956 heeft ingesteld.

De Rie is geen overheidsorgaan en heeft geen wettelijke taken en bevoegdheden. Het is het oudste provinciale heraldisch college in Nederland en bestaat uit specialisten, die op grond van hun deskundigheid tot lid van de Rie benoemd zijn.

Alleen de Nederlandse Hoge Raad van Adel heeft een in de wet vastgelegde taak betreffende adellijke wapens en overheidswapens.

De Rie is een raadgevende commissie die in Friesland wapens en vlaggen van de  provincie, gemeenten, waterschappen, steden, dorpen  en families registreert.

De Rie adviseert ook  over de vormgeving van nieuwe wapens voor overheden, dorpen, families en verenigingen en/of maakt ontwerpen hiervoor. Voor familiewapens geldt als voorwaarde dat de familie woonachtig moet zijn in Friesland en de Nederlandse nationaliteit bezit, of een Friese naam moet hebben indien men buiten de provincie woont. Deze wapens worden in het Genealogysk Jierboek gepubliceerd, dat door de Fryske Akademy wordt uitgegeven.

Daarnaast geeft de Rie adviezen over vlaggen, vlaggenprotocollen, wimpels, banieren en standaards en (kleur)adviezen over wapens.

Meinte Jelles  Abma wordt geboren  op 2 september 1930. Hij is het vijfde kind in het gezin van Jelle Ruurds Abma en Doutje Tjitses Bouma. Hij groeit op op een boerderij, net buiten Folsgare, aan het eind van de zgn.  ‘Reade Leane’

( zie ook venster:  Folsgeasterleane 15 )

Meinte gaat na de lagere school in Folsgare naar de Rehoboth-mulo in Sneek en doet vervolgens nog de  A-afdeling van de Rijks-HBS in Sneek.  Hij begint zijn carrière op de gemeentesecretarie van Sneek. Hij is, net als zijn vader die gemeenteraadslid in Wymbritseradiel is, een “wisse prater” en houdt niet van grootspraak.  Na acht maanden gaat hij naar Schoonebeek in Drenthe waar hij een jaar blijft. Daarna werkt hij ruim twee jaar in Zoelen, een dorp in de gemeente Buren, provincie Gelderland.  De volgende standplaats, voor een periode van drie jaar, is Eibergen in de  gemeente Berkelland in de Achterhoek. Vandaar verhuist hij naar Wateringen in de gemeente Westland,  weer voor drie jaar. Tussen de bedrijven door behaalt hij in de avonduren de diploma’s Gemeente Administratie en Gemeente Financiën.

Vanaf 1 juni 1960  gaat hij aan het werk in de gemeente Maartensdijk als  hoofd gemeentefinanciën en loco-secretaris.

In 1968 trouwt hij met Gijsje Berdina Johanna (Bep) de Nooij, verpleegster, uit Den Haag. Als Haagse komt ze in een puur Friese familie terecht en leert tijdens de logeerpartijen in Folsgare het Fries te verstaan. Meinte en Bep adopteren twee kinderen uit Kreta. De oudste wordt Jelle Michalis genoemd en de jongste Meinte Gerben Willem. Meinte studeert in zijn vrije tijd tussen de bedrijven door rechten in Utrecht en behaalt in oktober 1970 zijn doctoraal bestuursrecht met als hoofdvakken staats- en administratief recht.

Meinte Abma heeft ambities en met twintig jaar bestuurservaring solliciteert hij naar de burgemeesters functie in Hennaarderadeel. Hij wordt aangenomen en Meinte Abma keert met zijn gezin in 1973  terug naar Friesland. 

Wout jr. en Katinka Zijlstra, broer en zus, zijn geboren aan de Folsgeasterleane en opgegroeid aan de Tsjaerddyk.

Als kinderen van Wout Zijlstra, de sterkste man van Nederland, wordt de sport hun met de paplepel ingegoten.  Ze worden lid van atletiekvereniging Horror in Sneek. Ze maken vele trainingsuren op de baan en behalen vele successen op het allerhoogste niveau in Nederland. Beiden blonken met name uit in het kogelstoten en discuswerpen. Wout had zich daarnaast toegelegd op de meerkamp.

Zowel Katinka als Wout kreeg last van blessureleed en ze hebben daarom het besluit genomen dat het genoeg was, dat het tijd was voor iets anders. Ze trainen zelf nog wel om in goede conditie te blijven, maar geen  topsport meer.

Na het afronden van zijn VWO opleiding in Sneek, volgt Wout nu de studie Natuurwetenschap- en Innovatiemanagement aan de universiteit van Utrecht.  Vaak is hij daar niet, het grootste deel van de opleiding bestaat uit zelfstudie.

Katinka volgde een VMBO opleiding theoretisch en deed daarna een opleiding in de zorg. Ze heeft aansluitend een aantal jaren in de thuiszorg gewerkt.

Wout jr. en Katinka hun vader Wout sr. liep al een tijdje rond met het plan om een punt te zetten achter een geweldig leven in de krachtsport. In 2019 was hij al gestopt met de doordeweekse trainingsavonden. De coronacrisis ( 2020-2022) dwingt hem nu om helemaal te stoppen met de krachttrainingen in zijn boerderij. Ook de strongman-trainingen ( het omkiepen van banden, het slepen en tillen van zware gewichten en melkbussen) op zijn erf en in zijn weiland zijn voorbij.  Hij zet zijn fitnessspullen te koop en sluit voorgoed de deuren.                                                                                                                      

                            

Sjerp Gerbens en Sjoukje Willems trouwen op 31 oktober 1786 in Jorwerd.  Ze worden daar boer en boerin en in 1787 wordt Antje Sjerps geboren. In 1788 verhuizen ze naar het iets verderop gelegen dorpje Baard. Na de komst van twee dochters wordt hun zoon Willem Sjerps geboren in 1792. Na nog drie dochters, krijgen ze weer een zoon in 1802, Gerben Sjerps. Daarna volgen nog een dochter en een zoon.

Antje Sjerps trouwt in 1809 met Hielke Pieters Wiersma uit Abbega. Hielke Pieters is boerenzoon en het paar begint met de steun van Hielke Pieters zijn vader Pieter Rienks, een eigen boerenbedrijf in Abbega.

Willem Sjerps gaat, net als zijn oudste zuster, rond 1812 naar Abbega en wordt daar boerenknecht. Hij ontmoet hier Japke Pieters Boomsma, dochter van Pieter Gerrits Boomsma en Antje Freerks Bouwma,  boer op de pastorieboerderij.

Willem Sjerps en Japke Pieters trouwen in 1816 en beginnen een winkeltje in het dorp. Dit brengt te weinig op en een jaar later regelt schoonvader dat Willem Sjerps boer wordt op de kerkboerderij aan de Rige vlak bij Abbegeasterketting. In 1817 wordt Antje Willems geboren. Daarna komen er nog 7 kinderen van wie er drie jong overlijden.

In 1830 verhuist de familie Twijnstra naar Folsgare. In het dorp staan, behalve een kerk en een pastorie boerderij, nog maar vijf huizen. Aan de zuidkant van de Tsjaerddyk is een timmerbedrijf (Tsjaerddyk 42), een winkel / herberg (Tsjaerddyk 38), een slagerij (Tsjaerddyk 36 e.v),  aan de noordkant een koemelkerij (latere Tempel) en een kerkhuis.

Het gezin Twijnstra trekt in  bij  Kerst en Jacob Arjens en Willem Sjerps wordt slager van beroep. In Folsgare worden nog eens zes kinderen geboren en er overlijden twee kinderen.

Op 30 april 1847 bevalt Anneke Sytzes Osinga, echtgenote van Hilbrand Rintjes Boschma, van een zoon die Jouke wordt genoemd. Jouke Hilbrands, de een na jongste van het gezin, brengt zijn jeugd door op een boerderij aan de Tsjaerddyk onder Folsgare. Hij gaat naar de openbare lagere school in Folsgare, opgericht in 1843, krijgt les van meester Reitsma en later Nauta.Thuis leert Jouke het boerenbedrijf van zijn vader en oudere broers.

Jouke wordt op 30 april 1867 opgeroepen voor de nationale militie.Het is lotingsdag en Jouke trekt nummer 57. Een laag nummer, dat houdt in dat hij in dienst moet.

Jouke trouwt op 4 mei 1867 met Botje Rinkes Groenveld uit Heeg. Het paar gaat in Oosthem wonen waar op 17 augustus 1867 hun eerste kind Rink Joukes wordt geboren.     

Jouke Hilbrands kan geen vrijstelling van dienst krijgen maar er is een mogelijkheid om je te laten vervangen door een ‘remplaçant’. Een remplaçant is iemand die zich dat jaar niet hoeft aan te melden en dus vrijwillig dienst neemt. Van deze plaatsvervanging wordt bij notariële akte “een contract van plaatsvervanging” opgesteld.

Jouke heeft Tjeerd Deinum uit Nijland in de arm genomen om voor hem een plaatsvervanger te zoeken. Tjeerd heeft Jan Berkenbos bereid gevonden om tegen betaling de dienst van Jouke over te nemen en laat een “contract van  plaatsvervanging” opmaken:

“Op heden den zeven en twintigste juni des jaars een duizend acht honderd zeven en zestig, compareerden voor ons Ansko van der Plaats Notaris residerende te Leeuwarden:Tjeerd Deinum, koopman wonende te Nijland als bij monde gelastigde van Jouke Boschma van boerenbedrijf wonende te Oosthem, loteling voor de dienst bij de nationale militie over dezen jare in bovenstaande gemeente en al daar getrokken hebbende nummer 57 het welk tot den actieven verpligt door voltrokken huwelijk meerderjarig geworden requirant ter eenre en Jan Berkenbos, smidsknecht wonende te Sneek requireerde ter andere zijde”  

Jan Berkenbos neemt voor f 250,--  de dienst van Jouke Boschma over.

Een wandeling over de Tsjaerddyk begin 1900 vanaf nummer 48 naar 26 aan de zuidzijde en via de noordzijde terug.

Op de beginfoto staat links de woning van het hoofd van de school en rechts de school na de verbouwing in 1908.

Op de achtergrond een boerderijtje, nu Easthimmerwei 1, dat gebouwd is op de kruising van de Tsjaerddyk, Suderbuursterleane, Kerkwech en de Bredeleane (Skeender) waar Douwe Eppinga en Tjitske van der Wal met hun kinderen Marten en Trijntje in 1904 zijn komen wonen.

Als zij rond 1910 uit het raam kijken, hebben ze ruim uitzicht op de Tsjaerddyk. De Suderbuursterleane is nog een onverhard voetpad (Easthimmerwei) dat ophoudt bij het bruggetje over de Folsgaaster opvaart. Hun zoon Marten zal later timmerman worden in het dorp.

Kijkend richting Tsjaerddyk ligt links eerst de afgegraven terp ‘het tsjerke pôltsje’ waarop de pastorie stond die in 1701 is afgebroken. ( venster: De pastorie van Folsgare) Het stukje grond is eigendom van de kerk en wordt verhuurd aan Yde van de Lageweg met de bepaling dat er geen varkens gehouden mogen worden.

In het eerste huis aan de linkerzijde wonen Ruurd Rientses Abma en Johantje Martens Visser met hun kinderen. Lucas Elzinga heeft het huis rond 1878 laten bouwen. Ruurd Rientses verkoopt manufacturen maar heeft geen winkel. Hij gaat met een rugzak vol met lappen stof bij de deuren langs. 

Hiernaast staat de school met de bijbel, gebouwd in 1886. ( venster: Tweede schoolgebouw van Folsgare) Meester van der Brug is in 1904 aan school gekomen en maakt de verbouwing in 1908 mee. Er komt een tweede lokaal en dus moet er ook een tweede leerkracht komen. Dit wordt  juffrouw  Elisabeth van der Molen. 

Tussen de latere Tempel en het kerkhuis aan de noordzijde van de Tsjaerddyk is in 1832 nog een stukje onbebouwde grond.

Rond 1848 bouwt timmerman Johannes Paulus Spiering een huis op dit kleine perceel. Het pand komt niet aan de weg te staan maar krijgt een klein voortuintje, waar hij twee lindebomen plant als zonwering.

Johannes Spiering en zijn vrouw Trijntje Harmens Dijkstra gaan met hun zoon Paulus Johannes in het huis wonen. Timmerman Spiering overlijdt in 1849.

Pieter Willems Twijnstra neemt de timmerzaak  van Spiering ( nu Tsjaerddyk 44) over. Trijntje Harmens verkoopt het huis en verhuist in 1851 met haar zoon naar Oosthem. Het huis wordt verhuurd. In 1855 komt Grietje Sipkes Bleeker, sinds 1846 weduwe van Meinte Klases Zijlstra, er met haar twee kinderen Klaas en Sytske wonen. In 1860 komt het huis in de verkoop.

Het pand wordt gekocht door Klaas Gerrits van der Meer. Hij verkoopt de woning weer in 1861 aan Durk Okkes Baarda, die er per 12 mei 1862 over kan beschikken. Durk is op 4 mei 1861 getrouwd met Fedtje Fokkes van der Meer. Durk en Fedttje krijgen in Folsgare twee zoons, Fokke en Okke. Fokke wordt al op jonge leeftijd schoenmakersknecht bij Douwe Lucas Elsinga. Hij wordt later schoenmaker in Itens en trouwt in 1887 met Trijntje Eisma. Het paar keert voor korte tijd terug naar Folsgare. Fokke heeft dan een schoenmakersknecht nodig.

Okke gaat al jong mee naar de boerderij en wordt net als zijn vader boerenknecht. In 1893 verkoopt Durk Okkes het huis aan Taede Ruurds Abma ( boer op Carpe Diem, Folsgeasterleane 4).

Durk en Fedttje verhuizen naar Spannum, waar Durk Okkes in 1897 overlijdt.

De kerktoren van Folsgare staat al eeuwen als baken in het dorp. Boven in deze toren hangt sinds 1535 een klok die onverstoorbaar zijn werk blijft doen.

Op de bovenrand van de klok staat het volgende geschreven:

Jhezus Maria Johannes Gheert van Wou ende Johan ter Steghe goten

mij toen men schreef 15 ende 35 daer bij.

De klok is in 1535 gegoten door Geert van Wou en Johan ter Steghe. Geert van Wou is de zoon van de beroemde klokkengieter met de gelijknamige naam uit Kampen.  Geert van Wou sr.( 1450 – 1527) wordt beschouwd als de belangrijkste klokkengieter die Europa gekend heeft.

In die tijd werd een klok vaak nog ter plekke gegoten. De wegen waren te slecht en te onveilig om een klok te vervoeren. Men wilde bovendien een oogje in het zeil houden op de samenstelling van het brons. De plek waar de klok werd gemaakt, was meestal op het kerkhof of in een ruimte onder de toren.

Het luiden van de klok kan opgedeeld worden in het tijdluiden, het zondagsluiden en het luiden bij bijzondere gebeurtenissen zoals bij overlijden, gevaar, rouw etc.

Het tijdluiden is het driemaal daags luiden van de klok. Dat gebeurt ‘s ochtends aan het begin van de werkdag, vervolgens om twaalf uur voor de middagpauze en tenslotte ’s avonds aan het einde van de werkdag.

In deze tijd zijn er nog geen horloges en is dit luiden voor de mensen het houvast gedurende de dag. Bij de middagklok van twaalf uur weten de arbeiders op het land dat het schafttijd is, de moeders zetten het eten op tafel, de kinderen mogen uit school.

De koster ging driemaal daags naar de toren om de klok te luiden. In het kerkarchief vinden we dat Here Jentjes wordt betaald voor een “jaar  klockluiden”. Hiervoor krijgt hij 7 carolusgulden. Jentjes heeft dit betaalde luiden gedaan van 1743 tot 1755. Daarna wordt het klokluiden niet meer specifiek genoemd. Het luiden hoort bij de vele werkzaamheden die een koster geacht wordt te verrichten.

Het tijdluiden is in Folsgare gestopt met de komst van het elektronisch luiden van de klok ( 1947)

Na de 2e W.O, bestaat Folsgare nog steeds uit één straat, de Tsjaerddyk, die soms ook de Buorren wordt genoemd. Aan deze straat staan de kerk, de school, de pastorieboerderij en zestien, meest oudere, woningen. Het dorp heeft echter behoefte aan nieuwe woningen want huurwoningen zijn er bijna niet meer. De Tempel is afgebroken en de woningen aan het Streekje zijn oud. Van de twee huurwoningen van de kerk is het huis aan de noordzijde verkocht en het huis aan de zuidzijde van de Tsjaerddyk is oud en erg klein.

Dorpsbelang is er druk mee om nieuwbouw te realiseren. In 1948 is het zover dat er aan de noordzijde van de Tsjaerddyk, naast het voormalige kerkhuis, tegenover het huis van aannemer Marten Eppinga, twee blokjes van twee onder één kap woningen gebouwd zullen worden.

Vanuit zijn woonkamer kan Eppinga volgen hoe de bouw van de woningen door Feenstra uit Nijland vordert. Dat gaat niet  zonder problemen. Als tijdens de bouw een zware storm over het dorp trekt, liggen de kajuiten van de nieuwbouw op straat. Ondanks de tegenslag worden de sociale huurwoningen in 1949 opgeleverd. Ze krijgen de nummers  Folsgare 10, 9, 8 en 7.

Deze nummers worden in 1974 omgezet in Tsjaerddyk 33,  35,  37 en 39 .

De woningen worden in het begin gebruikt als arbeiderswoningen voor de boeren in en rond Folsgare.

In september 1949 verhuizen Hendrik Johannes Oppenhuizen en Annigje Tjalsma met hun vijf kinderen  vanuit  Oosthem naar het eerste nieuwbouwhuis in Folsgare gezien vanaf Nijland, nummer 33. Hendrik werkt bij Hessel Boschma op Walma State.

 Strûpenkeal is een terp vlakbij Folsgare. Vanaf het viaduct over de A7 bij de afslag Sneek komend uit de richting van Bolsward, is een kronkelend restant van de oude molensloot te zien en rechts staat een terp in het landschap, omringd door bomen. Het is een voor deze regio zeer hoge terp,  ruim 3 meter. Voor velen een onbekend, maar tegelijkertijd uniek monument.

Voordat de terp werd aangelegd, is er al bewoning op deze plek geweest. Tussen vondsten in de terpzool van de terp kwamen scherven uit de late ijzertijd / begin romeinse tijd tevoorschijn, samen met enkele tientallen brokken ruwijzer dat wolf wordt genoemd. Deze wolf is geproduceerd in  laagovens die gevuld werden met ijzeroer wat in ruime mate voorhanden was in en langs de Ald Rien of Groote Rijn. Voor de mensen die zich hier ruim twee eeuwen voor het begin van de jaartelling vestigden, zal de aanwezigheid van grote hoeveelheden ijzeroer een beslissende factor zijn geweest. Vondsten van Romeinse munten ten noorden van de terp geven aan dat de bewoners  contact hebben gehad met de buitenwereld.

Er zijn rond Strûpenkeal meerdere veenterpen gevonden, wat aangeeft dat het een voor die periode dichtbevolkt gebied is geweest.

Door een klimaatverandering kort na het begin van de jaartelling stijgt het zeewaterpeil en worden die vroege bewoners van huis en haard verdreven. Op en rond de originele terp worden nog steeds aardewerk scherven teruggevonden uit die periode.

Rond de 8e eeuw komen mensen met hun bootjes de Ald Rien of  Groote Rijn afzakken, die zich gaan vestigen op de terp. Ze bouwen aan het water een nieuw onderkomen. Bij het graven naar zoet water vonden ze scherven onder een dikke kleilaag. Zo ontdekten zij dat ze niet de eerste bewoners waren.

De kleine terp groeit gestaag uit naar een grote en hoge terp die uiteindelijk ongeveer een oppervlakte zal krijgen van zeven pondemaat.

Er zijn nog geen dijken, de mensen wonen  met hun vee in deze tijd van vele overstromingen hoog en droog op de terp. Het voordeel van de overstromingen is, dat het zeewater zout achter laat in het veen. Zout is in die tijd een zeer waardevol artikel. Het winnen van zout uit het veen wordt zelnering genoemd. Het veen met zout wordt uitgegraven en verbrand in een speciale oven. De overgebleven as wordt vermengd met water en weer uitgekookt tot het zout overblijft. Dit eindproduct wordt gebruikt voor eigen gebruik of als betaalmiddel.

 

In 1859 wordt door de kerkvoogdij de bouw van het nieuwe kerkhuis aan de Tsjaerddyk opgedragen aan timmerman Pieter Willems Twijnstra uit het dorp. Het huis komt  tussen de winkels van Epeus Couperus en Sjirk Annes Cnossen te staan. Eind 1859,  als het huis is opgeleverd, stuurt Pieter Willems de rekening naar de kerkvoogdij met een bedrag van fl 555,56. De rekening wordt betaald met de opbrengst van een partij terpaarde.

Het nieuwe huis is een stuk kleiner dan het kerkhuis aan de noordzijde van de Tsjaerddyk. Dit blijkt ook uit de huurprijs. Die van het kerkhuis noord is in 1860 fl. 45,- en van het huis aan de zuidkant fl.25, - De eerste huurder van het nieuwe kerkhuis is Grietje Sipkes Bleeker, weduwe van Meinte Klazes Zijlstra, die er samen met haar dochter Sytske gaat wonen. Sytske woont er met haar moeder tot haar huwelijk in 1869 met Willem Wieringa die schipper is in Loënga. Na hun trouwen gaan ze in Sneek wonen en Sytske raakt al snel zwanger. Als ze acht maanden zwanger is, overlijdt Willem na een kort ziekbed op 20 maart 1870. Een maand later, op 28 april 1870, wordt Pieter Willem geboren. Sytske is weduwe, met een baby, zonder inkomen, in een voor haar vreemde omgeving. Ze zegt de huur op en begin juli 1870 komt ze terug in Folsgare en trekt met Pieter Willem bij haar moeder in. Haar moeder is koopman van beroep en Sytske wordt naaister om een inkomen te krijgen. Pieter Willem wordt door zijn moeder onderwezen in het vak dat ze zelf uitoefent en hij wordt later dan ook kleermaker van beroep. In juni 1882 overlijdt Grietje Sipkes Bleeker. Ze is dan 77 jaar. Sytske woont daarna samen met haar zoon Pieter Willem in het kerkhuis. Sytske hertrouwt in 1884 met Douwe Feenstra en in 1885 verhuist het gezin naar Nijland.

 

 

 

Op de zijkant van de gevel, boven het winkelraam, hangen twee borden waarop reclame wordt gemaakt voor “Van Nelle Koffie en Thee”. Eronder staan Anne Sjirks en zijn zoontje Sjirk Annes

In 1841 bouwt timmerman Johannes Paulus Spiering in Folsgare tegenover het kerkhuis een winkel met daar achter een woning. Hij heeft het perceel gekocht van Roel Uiltjes die ernaast woont en hoopt later een koper voor het pand te vinden. Als het pand klaar is, huren Kornelis Sjerps Piersma en zijn vrouw Hjebbeltje Sjoerds Sjaarda de winkel. Kornelis werkt als arbeider en zijn vrouw Hjebbeltje bestiert de winkel en het huishouden.

Kornelis en Hjebbeltje hebben de zaken goed voor elkaar en kopen in 1843 de zaak van Johannes Spiering. De winkel loopt goed zodat Kornelis stopt met zijn baan bij de boer en zich helemaal op de winkel stort. In 1853 overlijdt Hjebbeltje (die in het dorp Habeltje genoemd wordt). Kornelis is zijn steun en toeverlaat kwijt en kan het huishouden en de winkel niet alleen af. In 1856 zet hij de winkel te koop en verhuist in 1858 naar Oosthem. Hij verhuist in 1872 weer naar Folsgare en overlijdt daar op 80-jarige leeftijd(1880)

Sjirk Annes Cnossen en Eelkjen Johannes Grijpsma komen na hun huwelijk in 1856 naar Folsgare waar ze de winkel van Kornelis Piersma overnemen.

Trijntje, de oudste dochter van Sjirk Annes, (geboren 1859) gaat in 1874 naar Abbega, waar ze dienstmeid wordt. In 1880 komt ze zwanger weer thuis en bevalt van zoon Sjirk. Wie de vader is, blijft onbekend en haar moeder Eelkjen raakt hierdoor zo van slag dat ze in Franeker moet worden opgenomen. Kleinzoon Sjirk overlijdt op 6 november 1880, drie maanden oud en op 26 november overlijdt Eelkjen in Franeker.

Het gezin Cnossen heeft een zware tijd achter de rug maar met de steun van de kleine gemeenschap van Folsgare komt het leven weer op de rails.  Grietje, de jongste dochter ( geboren 1865), zorgt voor haar vader en haar jongste broertje Anne Sjirks ( geboren 1869). 

Deze Anne Sjirks trouwt in 1895 met Antje of Anna Annes de Jong uit IJsbrechtum. Hij is dan koopman en winkelbediende bij zijn vader.

 

 

Vroeger stonden er in het gebied ten oosten van Folsgare tot aan Sneek veel boerderijen die door voetpaden met elkaar verbonden waren. Omdat deze voetpaden een groot gedeelte van het jaar onbegaanbaar waren, ging het vervoer over water. De meeste boerderijen zijn verdwenen en het gebied is grotendeels bedrijventerrein geworden. Er zijn nieuwe wegen aangelegd en in plaats van paarden en karren suizen er nu dagelijks duizenden auto’s over de aangrenzende snelweg.

Maar nog niet alles is verdwenen. Eenzaam staat er nog één boerderij als een herinnering aan vroegere tijden. Deze boerderij draagt de naam “Carpe Diem”. Er wordt niet meer geboerd, maar de boerderij heeft tot op de dag van vandaag de uitstraling van een trots verleden.

De boerderij kent een lange historie. Uit de archieven weten we dat op deze plek al heel lang geboerd wordt. In 1511 woonde hier een Broer Hottyaz. In 1778 is de boerderij eigendom van Johannes Hendriks en wordt gehuurd door Heere Cornelis. In 1786 laat Johannes Hendriks er een nieuwe boerderij neerzetten en hij zet in 1787 de volgende advertentie in de LC:

De Secretaris ADEMA, zal op Dinsdag den 11 December ’s Namiddags om één uur in de Witte Arend te Sneek by strijkgeld verkopen.

Een Stemdragende ZATHE en LANDEN, met een Nieuwgebouwde Huizinge en Schuure gelegen te Folsgare, groot over het geheel 61 en drie vierde Pondematen, alle beste griedlanden belast met 25 floreen, te huur doende boven alle lasten 330 Gl. by Heere Cornelis bewoond, Petry en May 1797 vry van Huur.

 

 

Op 25 december 1778 wordt in Hidaard Ruurd Freerks geboren, het negende kind van Freerk Murks Abma en Gerritje Roelofs. Ruurd Freerks  leert onder het toeziend oog van zijn oudere broers en zussen het boerenbedrijf thuis op de boerderij. Hij ontwikkelt zich tot een goede boer en heeft oog voor de samenleving. Aangezien hij het negende kind is, is de kans vrij klein dat hij boer zal worden op de ouderlijke pleats.

Echter, Ruurd Freerks leert  Hiltje Klazes Wiersma. ( geb. 26 februari 1781) uit Folsgare  kennen. Haar ouders  Claes Harmens en Baukje Teades wonen op een boerderij aan de Folsgeasterleane no 2, te zien op de de kaart van Eekhoff (1850) Het is een bescheiden boerderij met 35 pondemaat land er omheen. Via de opvaart vanaf de Ald Rien is de boerderij goed bereikbaar Claes Harmens en Baukje Teades zijn er erg mee ingenomen dat hun enige dochter thuis komt met boerenzoon Ruurd Freeks. Het stel trouwt op 25 oktober 1801

Zijn buurman Douwe Harmens boert op een boerderij (Strûpenkeal) ten zuiden van Ruurd Freerks.  Deze is ook 35 pondemaat groot en de boerderij ligt prachtig boven op een grote terp tegen de Ald Rien. De boerderij komt in de verkoop omdat één van de eigenaren is overleden.

Ruurd Freeks en Hiltje besluiten om de boerderij te kopen. Douwe Harmens blijft daar voorlopig blijven wonen tot de kinderen van Ruurd Freerks en Hiltje groot zijn. Hun gezin wordt uitgebreid met nog 2 kinderen. In 1811 overlijdt dochter Baukjen ( 6 jaar). In de jaren daarna worden nog drie kinderen geboren.

Oudste dochter Gerritje Ruurds trouwt in 1820.  Ruurd en Hiltje krijgen daarna nog 2 kinderen.

 

.

 

Per 1 januari 1886 wordt de openbare school in Folsgare door de gemeente opgeheven. Dit bericht komt niet als donderslag bij heldere hemel, want de ouders hebben aangegeven dat ze christelijk onderwijs voor hun kinderen willen. Hiertoe was al een commissie opgericht tot bevordering van christelijk onderwijs te Folsgare. Wanneer de statuten op 7 maart 1886 bij koninklijk besluit worden goed gekeurd,  is de vereniging een feit. In september 1886 komt het bestuur weer samen.. De voorzitter Ds. E. C. Gravenmeijer opent de vergadering met gebed. Op de agenda staat als voornaamste punt: de bouw van de nieuwe school. Op de aanbesteding zijn veertien inschrijvingen binnengekomen. De laagste inschrijving is van timmerman Asma uit Heeg en de bouw zal hem worden gegund, tot er iemand opmerkt: “Is hij niet Rooms? ”. Dan valt er een stilte, dit hadden ze niet voorzien. Dit feit is zo ernstig, dat de bouw wordt gegund aan de volgende op de lijst, timmerman Walsmeer uit Wons.  

De nieuw te bouwen school komt tegenover de oude school te staan. Net als bij de eerste school mag het niet ten koste gaan van een stuk weiland en daarvoor zal het laatste doorlopende stuk Tsjaardvaart worden gedempt.

De eerste steen wordt gelegd op 22 oktober 1886 door H.E. Gravenmeijer, de zoon van de voorzitter. Op 20 april 1887 wordt de school geopend. Het tijdelijk aangestelde hoofd van de christelijke school, J. Wielinga uit Gauw, wordt nu vervangen door de eerste onderwijzer aan de nieuwe school, Johannes Steenbergen uit Wommels.

 

 

Midden 19e eeuw stond aan de Tsjaerddyk een huis dat in de volksmond “de Tempel” werd genoemd. Het huis kreeg waarschijnlijk deze naam, omdat er op een klein oppervlak zoveel mensen woonden. In dit venster wordt de historie van het gebouw en zijn bewoners beschreven.

 

In 1751 trouwt timmerman Edger Scheltes uit IJsbrechtum met een meisje uit Folsgare, Ymkje Freerks. Het stel gaat in Folsgare wonen ( Tsjaerddyk 42). Edger timmert veel voor de kerk. Dat is terug te vinden in het kerkarchief als hij reparaties heeft uitgevoerd.  In 1783 komt Edger  te overlijden en volgens het kerkarchief volgt zijn jongste zoon Freek hem op als timmerman. Tot  het jaar 1791 wordt hij regelmatig genoemd bij kerkreparaties.  

 

De oudste zoon Schelte Edgers is boer en heeft een koemelkerij  op de Tsjaerddyk. Zijn bedrijf omvat de huidige huisnummers 41-47. Schelte  blijft vrijgezel,  maar  woont niet alleen. Hij heeft een huishoudster, Pietje Baukes, afkomstig uit Hennaard. Haar ouders zijn Bauke Sybes en Hiltje Jans. Pietje haar vader is kuiper in Hennaard. 

In 1811, als iedereen van Napoleon een achternaam moet aannemen, noemt hij zich daarom ook Kuipers. Ook Schelte moet in 1811 een achternaam kiezen. Hij kiest voor de naam Dijkstra, waarschijnlijk omdat hij aan de Tsjaerddyk woont.

 

Behalve van de koemelkerij op de Tsjaerddyk nr 41-47, is Schelte Edgers ook eigenaar van de winkel annex timmerzaak op  Tsjaerddyk nr. 42 en het perceel daarnaast. Dit perceel, nu Tsjaerddyk nr. 38-40, wordt als moestuin gebruikt.

 

In 1818 overlijdt Schelte op 65 jarige leeftijd. Hij heeft blijkbaar een goede en warme band met zijn huishoudster Pietje Kuipers gekregen, want al zijn bezittingen gaan naar Pietje Kuipers.

Zij krijgt niet alleen het onroerend goed. Pietje erft ook een voor die tijd fors bedrag aan geld. Pietje Baukes Kuipers is van huishoudster nu boerin geworden en is blijkbaar daarmee ook een stuk aantrekkelijker op de huwelijksmarkt. In 1820 trouwt Pietje op 44 jarige leeftijd met de veel jongere Hendrik Uiltjes Hoekstra uit Terherne. Hendrik is pas 29 jaar en als zoon van een schipper zal hij niet erg rijk zijn. Hij vindt in Pietje een goede partij.

 

 

De kerk in Folsgare is genoemd naar de heilige Laurentius. Deze heilige was diaken bij paus Sixtus II en had de zorg  over  de vondelingen, armen en wezen. Kerken die genoemd zijn naar deze heilige, hebben vaak een hoge ouderdom.

De paus werd op 6 augustus van het jaar 258 gevangengenomen en onthoofd. Laurentius kon eerst nog ontkomen. Hij nam al het geld mee en verdeelde dat onder de armen. Kort daarna werd ook hij gepakt. Omdat de Romeins keizer Valerianus geldgebrek had, werd Laurentius uitgehoord. Toen bleek dat hij al het pauselijke geld had weggegeven, werd de keizer woedend. Hij liet Laurentius bewerken met gloeiende staven. Die liet echter niets los. Daarom werd hij op een rooster gelegd, waaronder een vuur werd opgestookt. Na enige tijd - zo wil althans de legende - riep Laurentius: ,,Keere mij om, er is slechts één zijde gaar!’’

Eind 18e eeuw is de kerk, gebouwd rond 1532, bouwvallig geworden en de onderhoudskosten nemen toe. Het gebouw is bovendien te klein geworden om alle kerkgangers altijd een plaats te kunnen geven. Het wordt tijd voor een nieuwe en grotere kerk.

In 1769 nodigen de kerkvoogden van Folsgare een predikant uit om met hem ideeën uit te wisselen hoe de nieuwe kerk er uit zou moeten  zien. Via het toegangsbruggetje over de gracht gaan ze door de zuidingang, de manneningang, naar binnen.

Het eerste advies is dat de vrouweningang aan de noordzijde, die niet meer wordt gebruikt, kan vervallen. Dan staan ze in het midden van de kerk stil bij de preekstoel, die volgens de predikant beter achter in de kerk kan komen op de plek waar nu de graftombes van de Hobbe Zyarda en zijn vrouw Foeckel van Roorda staan. Als ze weer buiten staan en naar de toren kijken die in een zeer slechte staat verkeerd, adviseert de predikant om deze te vervangen door een slanke toren met spits.

 

 

Op 22 mei 1870 trouwt Sybe Cornelis zijn dochter Trijntje met smidsknecht Lourens Lutgendorff uit Sneek. Sybe wil dat het jonge stel na hun huwelijk een goede start kan maken. Hij heeft daarom een overeenkomst gesloten met timmerman Pieter Willems Twijnstra uit Folsgare. Pieter Willems bouwt aan de Tsjaerddyk een smederij en Lourens Lutgendorff zal het pand voor tenminste vijf jaar huren, voor een bedrag van fl 169, - per jaar. Sybe Corenelis Nijdam staat , als eigenaar van een scheepswerf in Sneek, voor het jonge stel  garant.

 

Lourens en Trijntje vestigen zich volgens plan na hun huwelijk aan de Tsjaerddyk. Lourens Lutgendorff is een zeer eigenzinnig persoon en hij ligt al snel met de kerkvoogden en andere mensen in het dorp overhoop. Na vijf jaar houdt Lourens Lutgendorff het dan ook voor gezien in Folsgare en koopt hij de smederij van Ynte Roode in Makkum.

Timmerman Pieter Willems Twijnstra vertrekt uit Folsgare en wordt boer in Abbega. Hij wil van de smederij af en zet de zaak te koop. Reinder Hendriekus Monkel, stadsomroeper uit Sneek, brengt een bod uit van fl 1661, - . Dit bod wordt afgewezen en het pand wordt uit de verkoop gehaald. Na het vertrek van  Lourens Lutgendorff  in mei 1875, komt Albert de Hond als nieuwe huurder in het bedrijfspand voor een termijn van twee jaar. Hij betaalt een aanzienlijk lager huurbedrag van fl 140, - per jaar. Twijnstra wil toch van het pand af en in 1876 komt het weer te koop. Petrus Jentjes Greydanus, landbouwer te Oosthem, wordt voor fl 1740, - de nieuwe eigenaar.

 

 

 

 

Naast de kerk in Folsgare staat een boerderij die de “pastorieboerderij “ wordt genoemd. Tijdens de kerstening van Fryslân, zo rond het jaar 750, werden er steeds meer kerken gesticht. Bij de stichting van de kerk hoorde een pastoriehoeve / boerderij. Dit was reeds in 819 bepaald in een handvest van Lodewijk de Vrome. Hij bepaalde dat bij elke te bouwen kerk een hoeve in vol bedrijf moest zijn gelegen, ten behoeve van het onderhoud van de pastoor. Het onderhoud van het pastoriegebouw in het algemeen, evenals van de kerk en toren, werd uit de kerkgoederen (patroons goederen) bekostigd.  Vaak was de pastoor naast priester ook boer en zeker in Fryslân kwam het ook vaak voor dat hij een vrouw en kinderen had.

In Folsgare ligt de pastorieboerderij naast de huidige kerk. In 1511 is hij 48 pondemaat groot, wat duidt op een welgestelde parochie. Het land dat bij de boerderij hoort, ligt in de Nieuwlander polder ten noorden van de hoeve en in latere tijd zal het land in het Marlân ten zuiden van de Tsjaerddyk er aan

toegevoegd worden.  In 1511 is het land verdeeld in ‘Grasland, Hoijland en Saedland’. Het ‘Grasland’ ligt tussen de Tsjaerddyk en het Middelpad. ‘Het ‘Hoijland’ ten zuiden van de Tsjaerddyk in ‘die Meeren’ met een klein perceel ten noorden van het kerkhof. Het ‘Saedland’ ligt langs het Middelpad. 

Het voorhuis van de pastorieboerderij zal gebouwd zijn omstreeks de 16e / 17e eeuw.  In het kerkarchief staat in het jaar 1746 de uitgaven post “Betaald voor onderhoud van huys van de Pastorije Zathe”.

De schuur van de boerderij is volgens een gedenksteen in de muur herbouwd in 1873. In het kerkarchief wordt een opmerking gemaakt dat de eerder gebouwde schuur door brand zou zijn verwoest.

 

 

 

Timmerman Johannes Paulus Spiering uit Folsgare bouwt rond 1842 een dubbele woning naast de winkel van Sjerp Piersma (Tsjaerddyk 36). De woningen zijn niet even groot, woning a) is een starterswoning en woning b) een ééngezinswoning. De bleek, het stalt, de regenwaterbak, het secreet en de asbak achter de woningen zijn voor gezamenlijk gebruik.

 Als de bouw in 1842 gereed is melden Murk Lykles Postma, boerenarbeider, en Stijntje ten Kate zich voor de ééngezinswoning.  Zij  zijn getrouwd 1838 getrouwd. Op 12 mei 1862 verhuizen ze naar Oosthem.

 Gerrit Willems Twijnstra en Anke Joukes Boschma worden de volgende bewoners. Na het overlijden van Anke Joukes in 1869 neemt Afke Hoogma als inwonende dienstmeid de zorg voor het gezin over. In 1870 verhuizen ze naar het nieuwgebouwde huis naast de Tempel (Tsjaerddyk 47).

 Theunis Smeding en Aaltje Couperus betrekken daarna de woning. Aaltje is de dochter van Epeus Couperus, winkelier op Tsjaerddyk 38.

 Zytse Asses Vierstra is de eerste bewoner van de starterswoning. Hij is vrijgezel en werkt bij de boer. In 1851 trouwt hij met Johanna Haitsma. In 1857 verhuizen Zytse en Johanna met hun kinderen naar Oosthem.

 De volgende bewoners zijn Pieter Gerrits Oppenhuizen en Trijntje Klazes Breeuwsma, dochter van Klaas Feddes Breeuwsma, boer in Folsgare (nu Wallemadyk). Ze zijn in 1857 getrouwd en dit is hun eerste woning. In 1859 verhuizen ze naar Wolsum.

 Wytse Jelles de Boer en Janke Bergsma komen nu in de woning.  Op 16 mei 1862 overlijdt Wytse Jelles, Janke bevalt tien dagen later van een dochtertje. Janke verhuist met haar kindje naar Oosthem.

 Vervolgens woont Jouke Osinga gedurende een jaar in de woning.

Janke is in 1864 hertrouwd met Folkert Jonkmans en samen met Folkert keert ze terug naar de woning aan de Tsjaerddyk. Met 3 kinderen verhuist het stel in 1873 naar Harlingen.

 Andries Smeding en Grietje van der Zee wonen na hun huwelijk in 1873 in de woning.  Het pand wordt in 1875 door Epeus Couperus te koop gezet. Andries Smeding woont op dat moment  in de starterswoning, zijn broer Theunis in de ééngezinswoning. Het pand wordt gekocht door Douwe Feenstra.

 

Age Jans de Vries uit Joure is in 1836 bij timmerman Johannes Paulus Spiering in dienst als timmerknecht in de nieuwe timmerzaak op Tsjaerddyk 44. Hij krijgt verkering met Baukjen Ades Jorwerda, die dienstmeid is in het dorp.

“It is mienens” en ze trouwen in 1837 in Folsgare waar ze ook gaan wonen. Hun tweede kind Aede wordt op 29 juni 1842 geboren. Aede wordt door zijn vader opgeleid om net als hem timmerknecht te worden. Aede groeit voorspoedig op en leert lezen en schrijven op de nieuwe school.

In 1852 verhuist het gezin naar Oosthem. Als Aede 18 jaar oud is overlijdt zijn vader, nog maar 53 jaar oud. Aede is nu als oudste zoon plotseling gezinshoofd en moet de kost verdienen voor het gezin. Zijn toekomstplannen worden hierdoor uitgesteld maar uitstel betekent geen afstel. Als hij 34 jaar is, is hij weer vrij om zijn leven op te pakken. Hij trouwt met de 20 jarige Marijke Zandstra en gaan in  Folsgare op het ’t Streekje wonen waar hij als timmerknecht begint bij Auke van der Velde. In 1877 verhuizen ze naar Hichtum waar Age Aedes wordt geboren. Na zijn geboorte gaan ze in 1879 weer terug naar Folsgare.

Aede de Vries koopt in 1879 de westelijke helft van het perceel van de voormalige slagerij/bakkerij (kadaster no 713). Op dit perceel staat de oude koestal van de slagerij en hierin begint hij zijn klusbedrijf. Hij moet echter van de grond af beginnen maar krijgt o.a. door de kerkvoogden werk aan de kerk, toren en de kerkhuizen toebedeeld. Na een paar jaar gaat het goed met het bedrijf en hij bouwt rond 1880/1881 een woonhuis voor zijn bedrijf (Tsjaerddyk 28).

 

Geboren te Amsterdam 5 mei 1916 – overleden te Auschwitz 19 november 1942

Betty is geboren in een Joods gezin. Vader was vermoedelijk een diamantslijper. Ze had drie broers. Betty was een vriendelijk meisje, dat van pianospelen hield. Betty was 23 jaar toen ze Wouter Glashouwer uit Woudsend leerde kennen. Wouter was in 1939 opgeroepen voor militaire dienst en gedetacheerd bij een regiment Huzaren in Amsterdam.

Wouter en Betty trouwden op 11 februari 1942 te Amsterdam. Ze gingen, met haar piano, inwonen bij de familie Glashouwer hier op de hoek. Het huis staat er niet meer. Wouter werkte bij boer Okma en Betty deed het huishouden. Zij vertoonde zich regelmatig op straat met jodenster.

In november 1942 kwam politie Attema aan de deur en vertelde Betty dat hij ze over een half uurtje op zou komen halen om naar Sneek te brengen, omdat ze een jodin was. Vluchten of onderduiken kwam bij Betty niet op, alhoewel dat wel gekund had. Betty dacht misschien, ik ben met een niet-jood getrouwd, ik zal wel gauw weer thuis zijn. Toen Attema voor de tweede keer kwam, stond Betty tot zijn verbazing al klaar met haar koffer. Attema kon niet anders dan haar te begeleiden naar Sneek.

Betty zou haar man Wouter nooit meer terugzien. Op 16 november werd zij op transport gesteld naar Auschwitz, waar ze bij aankomst direct om het leven werd gebracht. Slechts 9 maanden was Wouter met Betty getrouwd. Pas op 5 november 1950 werd het overlijden van Betty in het bevolkingsregister ingeschreven. Wouter is later hertrouwd, ging bij Philips werken en overleed op 51-jarige leeftijd.

Ook Betty`s ouders en haar broers ondergingen hetzelfde lot.

Op deze plek zijn in 1933 Albert en zijn vrouw Foukje Brink een bakkerij annex winkel begonnen. Op huisnr. 11 staat inmiddels een andere woning. “Altijd die heerlijke geur, vooral als er suikerbrood werd gebakken", herinnert een buurvrouw zich. Doordeweeks werden de bestellingen voor `bûtenùt` aan huis gebracht door zoon Hyltje. De inwoners in het `doarp` moesten het brood zelf halen, maar kregen dan wel als beloning een stuk `koarstekoeke` mee. Dit was een soort kruidkoek, waar de bakker de kanten van afsneed om weg te geven aan de klanten. Het werd daarom ook wel `kantkoek` genoemd.

De winkel en bakkerij waren het kloppend hart van het dorp. Albert en Foukje waren echte dorpsmensen en stonden altijd klaar voor de mensen van het dorp. Zo heeft Albert Brink zich ook vele jaren ingezet als voorzitter van Plaatselijk Belang. De bakkerij was ook een soort `doarpsromte`: met sinterklaas kon men sjoelen en ballengooien in de bakkerij. Deze traditie wordt nog steeds voortgezet, alleen is de plek veranderd.

Bakker Brink kreeg als eerste een telefoon. Als je wilde bellen kon je daar terecht, of de bakker kwam bij je langs als er een bericht voor je was. Je wist toen niet beter, zo was je opgegroeid en het werkte prima. Het huis bestond uit behalve de bakkerij, een woonkamer, een woonkeuken, een slaapkamer en een winkel. De kinderen sliepen boven op zolder.

De oven van de bakkerij werd in de beginperiode verwarmd door het verbranden van takken en turf. Later werd de oven verwarmd door middel van een oliebrander. De olie daarvoor werd opgeslagen in olievaten achter de bakkerij. In de oorlogsjaren was de bakkerij verduisterd en leerden onderduikers de dorpsbewoners schaken.

 

In een agrarische omgeving viel altijd wel wat te repareren of te bouwen. Wat kapot was werd niet weggegooid of afgebroken, maar hersteld. Zo ging dat en als de portemonnee het toeliet, maakten de bewoners gebruik van Timmerbedrijf Riemersma. Op huisnr. 16 staat nog steeds de woning. De werkplaats en de winkel waren erachter, tot het bedrijf in 1980 werd beëindigd. Grootvader Sjoerd is het bedrijf begonnen en zijn zonen Ids en Lieuwe hebben in 1937 het stokje overgenomen. Zij werden bijgestaan door een aantal knechten. Begin 1970 ontdekten de eerste watersporters het dorp en werden door het timmerbedrijf verschillende kleine woningen en boerderijen verbouwd tot  recreatiewoningen. 

Elk jaar was er in de winterperiode een zanguitvoering van Us Lyts Doarpke (ULD) in de oude school en daarna het opvoeren van een toneelstuk. De podiumopbouw werd geheel belangeloos verzorgd door Ids Riemersma. Dat waren ontzettend leuke avonden, aldus bewoners die dit nog hebben meegemaakt!  

Ook vermeldenswaardig is dat Ids Riemersma het probleem van de kerkklok destijds heeft opgelost. De klok wordt namelijk sinds jaar en dag aangestuurd door een prachtig mechanisch uurwerk uit 1575. Het staat op de zolder van de voorkerk. Een tijd lang heeft de klok niet kunnen slaan en was het stil in het dorp. Ids ontdekte dat het uurwerk uit het lood stond waardoor het uurwerk ging `aanlopen` en uiteindelijk helemaal stopte. Het is mede aan hem te danken dat we de mooie klank op elk heel en half uur weer kunnen horen.

Het kerkje dateert uit 1770 en staat op de plek van een vorige kerk uit de Middeleeuwse tijd. Het eenvoudige kerkje is relatief jong (ongeveer 250 jaar) vergeleken met veel andere hervormde kerken in Fryslân. De kerk van Goingarijp valt onder de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Waarom in 1770 het oudere kerkgebouw werd vervangen, is niet bekend. Op een tekening, gemaakt in 1723 door Stellingwerf, ziet het kerkje er niet bouwvallig uit. De Hervormde Gemeente van Goingarijp vormde samen met het drie kilometer verderop gelegen dorp Broek een gecombineerde kerkelijke gemeente. De dorpen deelden de predikant. 

Tot in de twintigste eeuw werd de dominee van het ene dorp naar het andere dorp geroeid. Dat was een hele opgave, zowel voor de roeiers als voor de dominee zelf, vooral als het slecht weer was. Boven de ingang aan de zuidzijde van de kerk is een steen ingemetseld waarop te lezen staat: `De eerste steen deser Nieuwe kerke was gelegd door Frans Julius Johan van Eisinga aet 18 Kleinzoon van de heer Grietman Vegelin van Claerbergen`. De kerk heeft zes gebrandschilderde ramen, gemaakt door Ype Staak, een 18e eeuwse glazenier uit Sneek.

Dat deze ramen in goede staat bewaard zijn gebleven, zegt vermoedelijk iets over de moeilijke bereikbaarheid van Goingarijp in de 18e eeuw. Aan de westzijde staat de markante klokkenstoel. Daarin hangt de Salvatorklok die in 1527 is gegoten door Gerhardus van Wou uit Kampen, een van de bekendste klokkengieters uit de late middeleeuwen. Met een gewicht van 1135 kg is het de zwaarste klok in een klokkenstoel in Friesland. Het luiden van de klok was van belang voor de arbeiders als sein om op te staan en naar het land te gaan of om te gaan eten. Maar ook bij hoog water werd de klok ter waarschuwing gebruikt.

Vroeger was het luiden de taak van de schoolmeester, die er in 1834 nog 20 gulden per jaar mee verdiende. Momenteel wordt het uurwerk twee keer per dag opgewonden door vrijwilligers. Vandaag de dag wordt de klok nog geluid ter aankondiging van de kerkdiensten, bruiloften en begrafenissen. Elke oudejaarsdag komen dorpsbewoners bij elkaar rondom de klokkenstoel om beurtelings hangend aan het touw het oude jaar uit te luiden. Als je op het juiste tijdstip rond de kerk wandelt, is de klok op de hele en halve uren te horen met zijn mooie vérdragende klank.

 

 

Bij het sluisje van Goingarijp wacht een prachtig panorama: de Goingarijpster Poelen en verderop de Lytse en de Greate Griene (het kleine en het grote groenland). En dáárachter ligt het Sneekermeer. De sluis is een onderdeel van de Nieuwe Slachtedijk, die stamt uit 1882. Voor die tijd liepen de landerijen regelmatig onder water. Tijdens het 100-jarige bestaan - in 1982 - werd de sluis vernieuwd en tegelijkertijd verbreed. 

Het merengebied is ontstaan in de middeleeuwen, deels als gevolg van de ontginning van het veen, een proces dat eeuwen heeft geduurd. In een deel van de Goingarijpster Poelen werd zoute turf gewonnen.  Dit deel van het merengebied heet dan ook de Zoutpoel (richting Terherne). De stroken tussen de veengaten werden door water en wind weggeslagen en zo zijn het meer en de poelen steeds groter geworden. 

Het Sneekermeergebied maakt deel uit van het Natura 2000-gebied. Het bekendste eiland, genaamd Kolmeersland, is het Starteiland. Vanaf hier wordt elk jaar in augustus het grootste zeilevenement van Europa georganiseerd: De Sneekweek! Dan wemelt het er van de bootjes, soms zijn het er meer dan 1000 geweest. Dit is ook één van de locaties van het traditionele `skûtsjesilen`, wedstrijdzeilen met de oude vrachtschepen, platbodems, die aan het begin van de vorige eeuw werden gebouwd om turf, mest en andere lading tot bij de boerderijen te brengen.

Met de wedstrijden in de rustige vaarperiodes konden de broodschippers een extra centje verdienen en werd de hele huisraad uit het skûtsje gehaald en tijdelijk op de kant gezet. Liefhebbers van de zeilsport, maar ook duizenden feestgangers komen elk jaar op beide watersportevenementen af.

Karren getrokken door honden.

Karren waren honderd jaar geleden een heel normaal straatbeeld. Om het vaak treurige lot van deze honden te verbeteren trad op 1 september 1911 de Trekhondenwet in werking. Het voorzichtige begin van een andere kijk op honden. De eerste meldingen van hondenkarren stammen al vanaf het begin van de 17e eeuw. Ze worden pas echt veel gebruikt in de 19e en 20e eeuw. In allerlei beroepen waar een last te vervoeren is, zijn honden in gebruik: postbezorgers, marskramers, eierhandelaren, krantenbezorgers, melkboeren, noem maar op. Sommige honden schijnen zelfs trekschuiten getrokken te hebben#.

Als trekkracht waren honden vaak geschikter dan paarden. Hondenkarren waren klein en wendbaar, veel handiger in gebruik in smalle stadsstraten dan grote, brede paardenkarren. Honden waren daarnaast veel goedkoper in de aanschaf en het onderhoud. Waar paarden een stal en speciaal voer vereisten, namen honden al genoegen met een hondenhok als onderkomen en etensresten en slachtafval als maaltijd.

Op 1 september 1911 treedt uiteindelijk de Trekhondenwet in werking. Houders van trekhonden zijn voortaan vergunning plichtig en moeten zich laten registreren. In 1927 komt er een wet op de keuring van trekhonden en pas in 1962 wordt het gebruik van hond als trekkracht verboden. Naast de hondenkar gebruikten ook veel venters een bakfiets, een transportfiets met mand voorop of een duwkar.

De hondenkarren en andere karren werden rond 1960 vervangen door de ‘mechanische hond’ , een wagentje met een motor aan de voorkant. Later kamen hiervoor de elektrokarren. Door het verdwijnen van de melkboeren, de slagers, de groenteboeren, de kruideniers en de bakkers uit Dronrijp, verdwenen ook de bezorgdiensten en de winkeliers aan huis. Alles is nu bijeengebracht in één supermarkt, die met een bestelauto de boodschappen nog wel thuis wil afleveren.

Op de eerste foto Piet Jorritsma met zijn bakfiets. 

"Een advertentie van melkboer P Jorritsma in de krant van oud en nieuw

"Bij Pieter 7 cent de liter. Veel heil en zegen, in de modderwegen."

Hier staat hij met zijn bakfiets in de Hommemastrjitte in Dronrijp. Op de bakfiets staat, zoals in die tijd gebruikelijk. GEMeenteMENaldumadeel .  

 

 

Terpentijd   500v Chr.-1200 (terpen; afgravingen ; De Hege Wier)

Toen Friesland nog niet door dijken tegen de zee werd beschermd, woonden de mensen in het noorden van ons gewest op de onbeschermde kwelders. Deze situatie bestond reeds enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling.

De zeespiegel lag toen echter veel lager dan nu zodat het toch betrekkelijk veilig wonen was. Later, toen het zeewater langzamerhand hoger kwam, werd het leven op de kwelders minder veilig.

De bewoners waren hierdoor genoodzaakt woonhoogten of terpen op te werpen, meestal op de plaats waar men reeds woonde. Het gevolg was, dat de terpen vaak in rijen lagen.

De Romeinse schrijver Plinius sprak dan ook al over “tumuli “of hoogten in dit gewest, waar de vissers hun hutten op bouwden.

Geschiedschrijvers als Ubbo Emmius en Schotanus schreven in de 17 e eeuw over hoogten gemaakt door “onmenschlycke arbeydt “. Schotanus noemde een terp “een t`samen ghereden bollichheidt “.

Ook in Menaldumadeel moeten talrijke van deze terpen zijn geweest, wat ook nog wel aan de dorpen is te zien, waar de toren op een hoogte is gebouwd. Denk maar eens aan Menaldum, Beetgum en Slappeterp, dat in de 13e eeuw Slepelterp heette.

Afgravingen

Toen de eerste dijken werden aangelegd om de bewoners te beschermen tegen het hoge water waren de terpen niet meer nodig en omdat men ontdekte dat deze terpgrond goede landbouw aarde was werden ze afgegraven. In 1840 zijn de eerste advertenties opgedoken in de Leeuwarder courant.

Menaldumadeel was de eerste gemeente, die naar aanleiding van de afgraving van Deinum in 1907, een verordening tegen deze, wat staat beschreven als “grounpiraterij “vaststelde

 

De Hege Wier,

 

 

 

Aan de Sanwei tussen Menaldum en Beetgum ligt een hoge heuvel.

Deze ongeveer 10 meter hoge heuvel in het vlakke landschap is een stinswier uit ongeveer de twaalfde eeuw. De bewoners van de vlakbij gelegen terp gebruikten deze verhoging als verdediging`s punt tegen aanvallers. Op de Terp heeft tot na de tweede wereldoorlog een restant van een boerderij gestaan. Op het stinswier die een voorloper is van de latere stinsen, heeft ooit een verdediging `s toren gestaan. De heuvel is vroeger nog groter geweest. In Friesland zijn meer dan honderd van deze punten geweest. Nu zijn er nog maar drie. Het stinswier, die een doorsnede heeft van zo’n twintig meter is eigendom van Staatsbosbeheer. In 1972 is de restauratie in het kader van de ruilverkaveling gereedgekomen. Wier en Terp gelden als beschermd archeologisch monument en zijn niet bedoeld als speelplaats voor de jeugd. Hiermee is dit uit omstreeks 1200 daterende historisch monument tijdig veiliggesteld.

  Gemeentehuis

 

Tot 1842 was een deel van het Grietenijhûs van Menaldumadeel gevestigd in "Unia State" bij Marssum en werd gebruikt als trouwlocatie. Daarna is het nieuw gebouwde Grietenijhûs in Menaam in gebruik genomen. Er werd dus ingeschreven in Marssum van geboorte en huwelijk. Thuis trouwen was nog steeds mogelijk, maar je had 6 getuigen nodig, dat was duurder en werd ook alleen gedaan door de adel en andere belangrijke mensen, of in geval van ziekte of invaliditeit. 

 

Het indrukwekkende Grietenijhuis is ontworpen door de in Friesland bekende classicistische architect Thomas Romein (Ook de ontwerper van de kerk te St.Jacobi parochie en het Gerechtsgebouw van Leeuwarden). Het gemeentehuis is gebouwd in de jaren 1841-1843, een belangwekkend gebouw, waarin het streven naar sobere vormen in het spoor van de inspiratie op de klassieke oudheid duidelijk tot uitdrukking komt.

De bouw van het nieuwe Grietenijhûs in Menaam had fl. 11.180, - gekost en is in 1843 in gebruik genomen.

 

 

Van 1817 tot 1842 werd door de gemeente ook een gedeelte gehuurd van het naast het  stadhuis staande, Bondscafe " De Klok" en gebruikt als grietenijkamer en secretariaat. In 1883 koopt de gemeente de gehele herberg en verhuurt ze een deel aan een zekere A.J. Schaafsma. 

 

Eén van de herbergiers was Jan Tymens de Boer wordt geboren op 18 april 1824 in Berlikum. 

In 1860 is hij gardenier in Wier. 

Vanaf voorjaar 1860 is Jan Tymens de Boer herbergier in Menaldum op huisnummer 56 (nummer 98 in 1880, 123 in 1890 en 230 in 1909). Zijn herberg ‘De Klok’ staat kadastraal op Beetgum C nummer 709 en is 2,30 are groot. Hij koopt het pand, dat naast het in 1842 nieuw gebouwde gemeentehuis staat, eind 1859 op een publieke veiling van de erven van Anne Jacobs Kooistra uit Marssum. Kooistra kocht het in 1855 van de gemeente, die het op haar beurt in 1835 kocht van de erven Anne Wytzes van der Weit (1782-1824). 

Herbergiers in de periode tussen 1855 en 1860 waren Jacob Olijnsma en Jacob Klazes Jongedijk. Zij zullen van de toenmalige eigenaar Kooistra hebben gehuurd.

Herberg “De Klok “wordt in 1955 afgebroken. 

 

 

 

  

 

Tekening van Gralda State uit 1722 door J Stellingwerf. Wanneer de State gebouwd werd is niet bekend.

 Op de tekening is een huis te zien van twee bouwlagen met kruiskozijnen en luiken voor de onderzijden van de ramen. Een nogal 15e/16e eeuws beeld. Ook de naam doet denken aan hoge ouderdom. De bekende eigenaren/bewoners dragen allemaal andere (familie) namen. Mogelijk is de naam ontleend aan de oudste voornaam Grealt zoals de naam van de naburige Orxma State aan de oudfriese jongensnaam Orck ontleend lijkt te zijn.

Hoe dan ook, in 1580 is het huis in bezit van Tjepcke Gerbarana, die Rooms Katholiek bleef en daarom gedwongen werd in ballingschap te gaan. Hij stierf in het buitenland en zijn weduwe Jesck Popma trouwde met Sybolt van Aylva. Die was ook al geen vriend van de protestanten en bleef hardnekkig Katholiek. Sybolt kwam uit de Witmarsumer Aylva-tak en bleef in ieder geval tot 1598 eigenaar van Grala State.

In 1622 vinden we hier Feye van Aylva , in 1640 jonker Tjepke Eeske Popke van Aylva die er zelf ook woont en in 1652 Barthold van Aylva. In 1700 vermeldt het Floreen kohier als eigenaar de heer J.H. de Wolf en gebruiker is dan Ruird Pijters. Het geheel is dan 85,5 pondemaat groot.

Daarna komt de State in handen van de familie Van Cammingha . In 1722 wordt een mevrouw Cammingha vermeld, een dochter van Watze van Cammingha. Ook Rixt van Donia, gehuwd met bovenstaande Warze wordt als eigenaresse vermeld. Vanaf 1667 woonden zij op Donia State bij Beetgum.

In 1749 heeft grietenijsecretaris Johan Casparus Schik zijn buiten Oorbijt te Dronrijp verruild voor het veel grotere Gralda State. Dat duurde niet echt lang, want in 1764 woont Theodorus Cock hier. Hij is mogelijk een huurder geweest, want in 1786 vond ik nog “de heer Schik “vermeld als eigenaar.

In 1795 werd de State verkocht en bestond uit huis, hof, tuin, grachten en singels 11,5 pondemaat en 75 pondemaat bouwland. De opbrengst in dit onzekere revolutie jaar was slechts een magere 7500 Caroligulden. Kort daarna werd ook dit grote huis, dat volgens d “tegenwoordige staat “vooral opmerkelijk was door “haare hooge poort “tegen de vlakte gewerkt om zoveel mogelijk geld te verdienen aan de verkoop van het vrijkomende bouwmateriaal.

Bronnen:

Tekening ; J.Stellingwerf

Tekst: Jan Leemburg

“Tegenwoordige staat van Friesland “

“Menaldumadeel, 2000 jaar leven in een Friese grietenij “van David Hartsema

“Skiednis fan Menameradiel “door O.Santema en Dr. Y.N.Ypma

Rypster Merke

De kermis in Dronryp is door belangenorganisatie Bovak verkozen tot beste van Nederland. De Rypster kermis kreeg 2019 de onderscheiding in de catogrie 'tot 25 attracties'. De kermis wordt ieder jaar opgezet tijdens de Rypster Merke, georganiseerd door kaatsvereniging Sjirk de Wal .

De Bovak is de nationale bond van kermisbedrijfhouders.De ‘Rypster Merke’ of ‘Kermis van Dronrijp’ is de grootste dorpskermis van Noord-Nederland naar aantal bezoekers en vindt jaarlijks plaats in mei of juni. De kermis duurt normaal gesproken drie dagen. Het centrum van het dorp wordt ieder jaar gevuld met zo’n 25 tot 30 attracties. De kermis trekt duizenden bezoekers uit de wijde omtrek. Veel van deze bezoekers komen echter niet voor de kermisattracties, maar voor de feesten die gedurende de kermis worden gehouden. Eens in de vijf jaar duurt de kermis langer om een jubileum te vieren van VvV Sjirk de Wal, die de kermis organiseert. Hier vind je meer info over het gezelligste feest van het noorden www.rypstermerke.nl.

De vergadering van kermisexploitanten, die altijd aan het begin van de kermis in café De Posthoorn wordt gehouden, kreeg dit keer een extra feestelijke tintje. Loco-burgemeester Caroline de Pee van Waadhoeke was aanwezig en voorzitter Atze Lubach-Koers van de Bond van Kermisexploitanten (Bovak) gaf aan waarom de Rypster Merke was uitgeroepen tot beste kermis.

Wat de Rypster Merke zo bijzonder maakt is de combinatie van kaatswedstrijden op het sportveld, de feesten in de tent en kermis. De attracties vormen de verbindende schakel tussen het kaatsveld en het centrum van het dorp.

Aparte sfeer

Dat de kermis niet alleen geliefd is bij bezoekers, maar ook bij exploitanten blijkt uit de aanwezigheid van de Belgische familie Ropers. Zij staan al jaren met hun Funhouse op de Rypster Merke. ,,Wij staan nog op twee kermissen in Nederland. Dronryp is daar een van. We komen hier om die aparte sfeer en dat aparte taaltje”, aldus Ropers. Om zijn tevredenheid over de Rypster Merke te benadrukken trakteerde hij tijdens de startvergadering in De Posthoorn op Belgische bonbons. Wie eenmaal met een kermisattractie op de Rypster Merke staat, komt ieder jaar terug. Dat geldt ook voor de familie Venekamp. Ze staan met een oliebollenkraam, voetbalspel, autoscooter, skeeball en een behendigheidsspel op de kermis. ,,De omwonenden zeggen hier vriendelijk goedemorgen. Dat gebeurt niet overal”, geeft Venekamp aan. Klaas van der Molen (67) uit Joure heeft een speciale band met de Rypster Merke. Hij staat dit jaar voor de 44e keer met zijn ‘kindervliegtuigjes’ in Dronryp. Van der Molen komt uit een familie van beroepsvissers. Als jongetje was hij al bezeten van de kermis. Hij trouwde met Feikje Arjaans, een dochter van een kermisexploitant. Haar grootvader stond al met de luchtschommel op de Rypster Merke. Al heeft Van der Molen de attractie overgedragen aan zijn dochter Kirsten, hij blijft betrokken bij de kermis. Veiligheid

Bij de organisatie van de Rypster Merke zijn 230 vrijwilligers betrokken. Vooral het aspect veiligheid vraagt steeds meer aandacht. ,,De priis fan bêste merke fan Nederlân is foar ús in geweldige opstekker”, zegt commissielid Thomas Frijling.De omwonenden zeggen hier vriendelijk goedemorgen. Dat gebeurt niet overal. Hij wijst erop dat omwonenden de kermis tolereren, al was er eerder deze week wel wat gemor toen een kermisexploitant midden in de nacht begon met het opbouwen van zijn attractie. Voor het opbouwen en afbreken zijn de exploitanten aan regels gebonden.

Dat er vroeger in de Dokkumer Wâlden e.o. grote armoede heerste is al jarenlang een gegeven. De leefomstandigheden waren bar en boos. Armoedige woningen, (lees krotten) en grote gezinnen waren in die tijd heel normaal, doch om de dagelijkse kost te verdienen niet. Zo ook in Broeksterwoude. In bovengenoemd jaar ging een commissielid, benoemd uit en door de leden der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, afdeling Dantumadeel, t.w. de Weleerwaarde Heer P. van Kleffens, Hervormd predikant te Akkerwoude een “slach troch De Broek”. Zijn bevindingen heeft hij aan het papier toevertrouwd en aangeboden aan Het Edelachtbare Grietenij-bestuur van Dantumadeel, inhoudende het verzoek, “om door het bouwen eener school, op de z.g. Akkerwoudster Broek, bevordelijk te willen zijn, aan de noodzakelijke vorming en opvoeding door openbaar onderwijs, van een tot hiertoe hoogst verwaarloosd aankomend geslacht.

Hierna zijn relaas: “het is gebleken dat er op De Broek, behoorende onder den dorpe Akkerwoude, en bewoond meerendeels door min of geheel onvermogenden, slechts zeer enkelen gevonden worden die enigszins of gebrekkig kunnen lezen en schrijven en bij welke het onderwijs en de zedelijke opvoeding, niet in de hoogste mate en op de onverantwoordelijkste wijze verwaarloosd is geworden. Uit een verslag, daartoe aan de vergadering der Maatschappij, dato 16 maart 1848 aangeboden, moge het volgende ter bevestiging van het bovenstaande dienen: Op een uitgetrektheid van een half uur gaans in den omtrek, heb ik 55 huizen, of liever grootendeels armoedige strooijen hutten bezocht, en bevonden, dat het getal zielen in deze huisgezinnen 304 bedroeg, van dit zielental heb ik er 77 ontmoet, welke mij te kennen gaven dat zij eenigzins konden lezen, hoewel gelijk dit bij onderzoek bleek, op een allergebrekkelijkste wijze en dikwerf zo, dat het niet dien naam verdienen kon. Verder hebben mij er 112, die den ouderdom van 12 jaren te bovengingen betuigd, dat zij volstrekt niet konden lezen noch schrijven. Eindelijk heb ik nog onder dat getal 118 kinderen, beneden de 12 jaren aangetroffen waarvan slechts 10 ter schoole gaan, terwijl er meer dan honderd als reddelooze dieren opgroeijen die niet weten wat hunne linker of regterhand zij, zonder iets te leeren dat hen doet gevoelen, dat zij redelijke schepselen zijn wier geesten voor eene oneindige volmaking vatbaar zijn. En daar deze omtrek en dit getal nu slechts een gedeelte uitmaakt van dit zoo verwaarloosd oord, kan men alzo hieruit bij gevolgtrekking afleiden, hoe aanzienlijk dáár het getal dier kinderen wezen moet, die ten eenemale missen wat anders in ons dierbare vaderland op zulk eenen hoogen prijs worden gesteld. De redenen van deze verwaarloozing vinden wij in het volgende:

Vooreerst dat de ouders zelve vroeger op gelijke wijze verwaarloosd zijn geworden-min of ten eenenmale onvermogend zijn om eenige gelden voor het onderwijs af te zonderen, en ook hoegenaamd uit volslagen onkunde daartoe geene begeerte aan den dag kunnen leggen, te minder wanneer nog daarmede ongunstiger omstandigheden verbonden zijn.Ten tweede: deze ongunstige omstandigheden zijn de groote uitgestrektheid van deze Broek en die het voor de meesten eene onmogelijke zaak maakt, vanwegens den daardoor meer of minder verwijderden afstand van het dorp Akkerwoude of naburige dorpen vooral in den winter en bij slechte wegen en weder, van het schoolonderwijs gebruik te maken dat daar gegeven wordt. Ten derden: dat de armoedige omstandigheden van verreweg de meeste n het niet toelaten dat zij in gunstiger jaargetijde naar de naaste scholen gaan, als wanneer de noodzakelijkheid om daar iets op het veld te verdienen dit billijkerwijze in den weg staat en eindelijk, omdat er in het nabijgelegen gehucht de Valom, aan het welke zoveele armoedige woningen van de Broek grenzen, evenmin op dezelve voor alle schoolonderwijs geene gelegenheid bestaat”.

Tot zover het pleiten van een Hervormde predikant voor het stichten van een school op De Broek.

Sint Salvius. Sinds 1879 draagt de kerk van Dronryp de bijnaam ‘d Alde Wite. Kerk en toren werden toen voorzien van okergeel geverfde blokpleister van portlandcement. In 1956 werd die van de toren weer verwijderd., maar de bijnaam ‘d Alde Wite bleef. Voor 1879 heette de kerk Sint Salvius naar een vrij onbekende Frankische heilige die begin 7e eeuw bisschop van Amiens was. Ook andere Friese kerken dragen de namen van Frankische heiligen zoals bijvoorbeeld Sint Martinus. Begrijpelijk, aangezien het de Franken waren die Friesland het Christendom brachten. De eerste sporen van een stenen kerk op de plek van de Sint Salvius stammen uit de eerste helft van de 12e eeuw en zijn van een tufstenen koor in romaanse stijl, waarschijnlijk de eerste uitbreiding van een ouder houten kerkje uit de 11e of mogelijk al van het eind van de 10e eeuw. Beiden bouwsels van bescheiden omvang die binnen het grondplan van de huidige kerk lagen. Eind 12e eeuw wordt het houten schip van de kerk vervangen door een veel bredere bouw van tufsteen , even breed als de huidige kerk. Voor het eerst krijgt de kerk dan een toren. Net als op veel andere dorpen is dat een zadeldaktoren. Een groot deel van de noordmuur van deze kerk is bewaard gebleven en nog altijd zichtbaar in het huidige kerkgebouw. Omstreeks 1386 wordt het oude koor afgebroken en verbreed en de oude kerk met maar liefst 18 meter in oostelijke richting verlengd. Daarmee krijgt de kerk zijn huidige afmetingen. De stijl is nog steeds romaans met ramen met ronde bogen, al zijn de ramen in de uitbreiding aanzienlijk hoger dan die in de oude bouw. In de tweede helft van de veertiende eeuw verrijst aan de noordkant van het koor een sacristie. Rond 1504 wordt de kerk nog eens ingrijpend verbouwd. De hele kerk wordt een kleine drie meter hoger gemaakt en krijgt een nieuwe kap en in de zuidmuur nieuwe spitse gotische vensters. Zo ontstond het voor ‘d Alde Wite typerende verschil tussen een gesloten noordmuur met kleine vensters en een opvallend open zuidmuur. Mogelijk heeft dat te maken met de specifieke ligging van de kerk, niet midden in de bebouwing, maar aan de noordrand van het dorp. Ook de belangrijke Hobbema State, waar toen de familie Hobbema en later de familie Glins woonde en Osinga State lagen ten zuiden van de kerk, met de gevel in de richting van de kerk. De verbouwing van de kerk werd voor een groot deel door de bewoners van deze staten gefinancierd en het is dus niet denkbeeldig dat zij een belangrijke stem hadden in hoe de naar hun staten toegekeerde kant van de kerk er kwam uit te zien: groots en voornaam. In 1546 tenslotte krijgt de kerk zijn huidige toren, bestaande uit drie geledingen: twee vierkanten en een achtkant. Wederdopers en Menisten. De eerste aanzetten tot een hervorming van de kerk kwamen in Friesland niet van Calvinisten of Lutheranen maar van de kant van de wederdopers. Zij erkenden de kinderdoop niet maar stonden een doop op volwassen leeftijd voor en lieten zich daarom overdopen als zij als kind gedoopt waren. Vandaar de naam ‘Wederdopers’. Zij stonden een radicale hervorming van kerk en maatschappij voor en werden daarom aanvankelijk fel vervolgd. Zo werd in maart 1535, midden in de nacht, Andries Claessoon opgepakt. Hij had zich over laten dopen en belegde in zijn huis ook samenkomsten van wederdopers. Zijn roerende goederen werden in beslag genomen, zijn huis in brand gestoken en op 16 maart werd hij in Leeuwarden tot onthoofding veroordeeld. Later kwam de beweging onder invloed van Menno Simonsz (1469 – 1561), pastoor te Witmarsum, in vreedzamer vaarwater terecht. In Dronrijp bleven ze een kleine minderheid. Te klein voor een eigen kerkgebouw. Eén van de bekendste Rypster Menisten was Alma Tadema. De reformatie. In 1580 kozen de Staten van Friesland partij voor de in 1568 begonnen opstand tegen Spanje. De Rooms- Katholieke eredienst werd verboden, de kloosters gesloten en onteigend en de kerken overgedragen aan de calvinisten. In 1583 kreeg Dronrijp zijn eerste gereformeerde predikant in de persoon van Oebelius Ipius. De calvinisten vormden aanvankelijk een uiterst kleine minderheid. Was de rooms- katholieke kerk een volkskerk die voor iedereen openstond, aan het lidmaatschap van de gereformeerde kerk werden strenge eisen inzake de levenswandel gesteld. Wie zich daar niet aan hield, diende zich ten overstaan van de kerkenraad te verantwoorden. De meeste mensen vonden dat weinig aantrekkelijk. Bovendien was nog helemaal niet duidelijk hoe de opstand uiteindelijk zou uitpakken. Dus de meerderheid keek liever de kat uit de boom. In 1600 telt de gereformeerde kerk nog maar 80 lidmaten. Pas in de tweede helft van de 17e eeuw groeide de nieuwe gereformeerde kerk uit tot een brede volkskerk. Al bleven velen zich afzijdig houden. Zij leefden zonder enige kerkelijke binding. ‘d Alde Wite na de reformatie. De invoering van de gereformeerde eredienst had grote gevolgen voor de inrichting van ‘d Alde Wite. Het altaar, tot dan toe de centrale plek in de kerk, verloor zijn functie. Centrum werd de in 1636 gemaakte nieuwe eikenhouten preekstoel, maar die kwam niet in het koor te staan maar in het midden van de zuidmuur. Daarmee verloor het koor zijn functie. Zo kwam er ruimte om daar in 1650 aan de oostkant een portaal aan te brengen. Het altaar zal toen zijn gesloopt. De altaarsteen (voorzien van wijdingskruisjes op de hoeken) werd binnenin de vloer verwerkt en direct achter de deur geplaatst. Een vorm van diepe minachting voor de katholieke eredienst. Aan de westkant van de kerk bouwden de beroemde Duitse orgelbouwers gebroeders Baader in 1652 – 1657 een groot nieuw orgel. Dorpsschrijnwerker Hilbrandt Lieuwersz maakte de orgelkast. Belangrijke families lieten een rijk versierde herenbank in de kerk plaatsen. Al deze veranderingen waren het gevolg van een machtsverschuiving in de gereformeerde kerk. Hadden aanvankelijk alle leden stemrecht, midden 17e eeuw trokken enkele rijke adellijke families alle macht aan zich. Zij beriepen de predikant, kozen de schoolmeester, verhuurden het kerkenland en bepaalden wat er met de gebouwen gebeurde. Met alle sinds die tijd in de kerk aangebrachte adellijke elementen als rouwborden, herenbanken en grafkelders ging de Sint Salvius steeds meer op een slotkapel lijken. De katholieken na de reformatie. Een deel van de Rypsters is altijd de katholieke kerk trouw gebleven. In 1711, als de katholieken in Dronryp weer een eigen kerk mogen bouwen, bestaat de katholieke gemeenschap volgens Hoyte Roucoma uit 135 personen. Op een totaal van 750 inwoners een behoorlijke groep. In 1580 raakten ze van het ene moment op het andere alles kwijt: hun pastoor moest vluchten, ze waren hun kerk kwijt en de bisdommen werden opgeheven. Ook een aantal gelovigen ontvluchten Dronryp, onder wie Wytze van Cammingha en zijn zuster Rins. Osinga State en Hobbema State blijven echter wel in zijn bezit. Rondtrekkende paters Jezuïeten uit Leeuwarden en later broeders Franciscanen uit Franeker nemen de zorg op zich voor de katholieken in Dronrijp en bedienen geregeld bij gelovigen thuis de mis. Begin 1700, krijgt Dronrijp in de persoon van Pastoor Van Oosten voor het eerst weer een pastoor. Hij gaat wonen bij Tjeerd Clasen, aan waar nu Hearewei 1 is, bij de molen. Tussen dit huis en de ernaast gelegen boerderij van Ulbe Bantes kan in 1711 voor het eerst weer een nieuwe katholieke kerk gebouwd worden. De kerk werd gebouwd door een gereformeerde timmerman, maar een katholieke timmerman deed het binnenwerk, vertelt Roucoma. Het kerkje was gewijd aan Bonifatius, maar werd in de volksmond ‘Sint Ulbes’genoemd. Op 10 september 1734 geeft het Hof van Friesland de katholieken van Dronrijp officieel toestemming hun eredienst uit te oefenen , zij het ‘soo bedeckt als mogelijk’ en zonder aanstoot te geven aan de gereformeerden. Een voormalige brouwerij aan de Dûbele Streek, op de plek waar tegenwoordig het parochiehuis staat, en eigendom van de heer Van Cammingha, wordt hun nieuwe schuilkerk. Harmonie tussen de verschillende confessies. Uit de genoemde dorpskroniek van Hoyte Roucoma blijkt dat de verschillende confessies - naast katholieken en gereformeerden maakt Roucoma ook nog melding van een enkele Menist en Lutheraan - in redelijke harmonie met elkaar leefden. Zo laat Roucoma in 1694 een nieuwe stoel maken bij een katholieke timmerman en vertelt hij dat zijn katholieke buurman Rynk Pyters trouwt met de Lutherse Marie en dat ze hun kinderen vervolgens gereformeerd laten dopen. Natuurlijk waren er grenzen tussen de confessies en de gereformeerde kerkenraad en predikanten probeerden de katholieken geregeld de voet dwars te zetten en hun vrijheden in te perken, maar echt gelukt is dit nooit. Pas aan het eind van de 19e en de 20e eeuw – de Gereformeerde Kerk heet dan inmiddels Nederlandse Hervormde Gemeente en moet een nieuwe zelfstandige zich Gereformeerde Kerk noemende gemeenschap naast zich verdragen - worden de tegenstellingen weer scherper. Gemengde huwelijken worden afgekeurd en wanneer men de timmerman of de schilder nodig heeft, wordt men geacht iemand van de eigen geloofsgemeenschap te bestellen. Ook je boodschappen doe je bij iemand van de eigen club. Maar ook toen vond men wegen om iemand van een andere geloofsgemeenschap ook te gunnen. Dan kreeg bijvoorbeeld Ganzinga de opdracht de voorgevel te schilderen, maar mocht het katholieke schildersbedrijf Van der Geest de achtergevel verven. Een volwaardige plek voor de katholieken. Vanaf 1815 krijgen de katholieken in Nederland eindelijk meer vrijheden en in 1838 geeft koning Willem I de katholieken in Dronrijp toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk. Het Rijk geeft daarvoor zelfs een forse subsidie en op woensdag 9 oktober 1838 kan de nieuwe kerk worden ingewijd. Het is, net als bijvoorbeeld de Groate Kerk in Sint Jacobiparochie, een zogenaamde Waterstaatskerk, gebouwd onder toezicht van deskundigen van het ministerie van waterstaat. Ruim een eeuw later, in 1938, krijgt deze kerk een nieuwe voorgevel en een nieuwe hogere toren, in dezelfde stijl als die van de tegelijkertijd gerealiseerd nieuwe pastorie; de oude pastorie wordt verbouwd tot parochiehuis. Hervormden en Gereformeerden. Sinds 1815 heette de calvinistische kerk van Nederland niet langer Gereformeerde Kerk, maar Nederlandse Hervormde Kerk. Koning Willem I en de Nederlandse staat hadden een belangrijke vinger in de pap bij het bestuur van deze kerk. Het bestond niet langer uit vertegenwoordigers uit de regio maar uit een aristocratische elite die aan de leiband van de koning liep. Predikanten kregen een staatstraktement en werden voortaan opgeleid aan Rijksuniversiteiten. Ze moesten ‘een geleerde stand in de maatschappij’ vormen die ook kennis had van letterkunde, algemene geschiedenis, wiskunde, redeneerkunde (logica) en landhuishoudkunde, de wetenschap van het boerenbedrijf, zodat ze een bijdrage konden leveren aan de opvoeding van het volk, de opbouw van de natie en de vooruitgang. De dominee steeg daardoor in maatschappelijk aanzien en kwam op één lijn met de dokter en de notaris, maar kwam ook verder van de gewone mensen te staan. Een ontwikkeling die zich weerspiegelt in de bouw van tal van monumentale pastorieën. Ook in Dronrijp wordt in 1875 aan Hearewei 35 zo’n monumentale pastorie gebouwd. Een eindje verderop wonen de dokter en de notaris ook in zo’n monumentaal pand. Pas in de loop van de 20e eeuw verandert dat weer. Een dominee van nu hoort absoluut niet meer tot de elite. Verzet tegen deze staatsbemoeienis bleef niet uit. In 1834 maakte Hendrick de Cock, predikant van orthodox – calvinistische signatuur te Ulrum, zich los uit het verband van de Hervormde Kerk, en krijgt overal navolging. Zo ontstaan de Christelijke Gereformeerde Kerken. Rond 1886 scheidt zich met de Doleantie (van het Latijnse werkwoord ‘dolere’ dat treuren betekent, nl. over de toestand van de Hervormde Kerk) onder leiding van Abraham Kuiper nog eens een grote groep af van de Hervormde Kerk. Dolerenden en afgescheidenen samen vormen in 1892 de Gereformeerde Kerken in Nederland. Deze ontwikkelingen laten ook in Dronrijp hun sporen na. Op 10 januari 1897 wordt ook hier een Gereformeerde Kerk geïnstitueerd. Eerste initiatieven tot het stichten van een Gereformeerde Kerk dateren al van 20 jaar eerder. Zowel vanuit Beetgum, Boksum, Franeker als Winsum is in de twintig jaar daarop geprobeerd ook in Dronrijp voet aan de grond te krijgen, maar de belangstelling blijkt slechts gering. Pas in de loop van de jaren negentig komt daar verandering in. In 1896 kan een stukje grond aan de Harlingertrekvaart worden gekocht, waarop een houten kerkje wordt gebouwd, in de volksmond al spoedig Lombok genoemd, naar het Indonesische eiland waar het koloniaal gezag in diezelfde tijd een strafexpeditie uitvoerde tegen opstandelingen. In 1903 krijgt de Gereformeerde Kerk van Dronryp in de persoon van N. Diemer voor het eerst een eigen predikant. In de tien jaar dat hij de gemeente diende, heeft hij veel betekend voor de opbouw van de gereformeerde kerk van Dronrijp. Het ledental steeg en onder zijn leiding stichtten Gereformeerden en Orthodox – Hervormden een eigen Christelijke School en werd er aan de Hearewei een nieuwe stenen kerk gebouwd die de naam Rehoboth (de Heer heeft ruimte gemaakt) kreeg. Een andere groep orthodoxen bleef binnen de Hervormde Kerk, maar keerde zich wel af van de plaatselijke gemeente en stichtte een zogenaamde Evangelisatiebeweging. In 1928 bouwden zij een eigen kerkgebouw aan de Puoldyk; ‘Het Mosterdzaadje’. In 1970 verenigde deze groep zich weer met de Hervormde Gemeente en in 2006 gingen Gereformeerden en Hervormden samen verder als de Protestantse Gemeente van Dronrijp. De huidige Protestantse Gemeente Dronrijp e.o. is tot stand gekomen uit de Hervormde Gemeente Dronrijp en de Gereformeerde Kerk Dronrijp/Menaldum e.o.

Dronrijp is een van de langstbewoonde plekken van Friesland. De bewoning gaat terug naar jaren voor de start van de christelijke jaartelling, waarbij de bewoning mogelijk alleen heel kort onderbroken onbewoond geweest is. Net ten zuiden van Dronrijp, in Hatsum aan de Longbuouren, is oude dobbe. Dit is een minstens 2000 jaar oude drenkplaats in de terp Lange Buren waar water werd opgevangen. Het is ook de grootste die tot dan toe was gevonden in Noord-Nederland.

Het dorp Dronrijp zelf ontwikkelde zich in de Middeleeuwen. In de 13e eeuw werd het vermeld als Dennigrip (in een vervalst document dat uit de 12e eeuw zou stammen), Dronryp en Drenningrip. In 1399 werd het vermeld als Dronrijp en Drunrijp, in 1400 als Op die Ryp en in 1469 als oppa Dronryp.

De plaatsnaam verwijst dat langs een oever/rand (rijp) is gelegen van een oud water, het lag zo op een kwelderwal. Het eerste element wijst mogelijk naar de familie Drenninga (lieden van Drenno), maar geheel zeker is dat niet.

Het dorp stond bekend als een statig dorp door een tiental stinzen, landhuizen die er stonden. De meeste daarvan werden later afgebroken om plaats te maken voor statige boerderijen. Het enige landhuis dat nog bestaat is de Schatzenburg, dat net ten noorden van de A31 is gelegen en uit de 18e eeuw stamt.

De huidige kern van het dorp is ontstaan uit twee kernen, de Kerkbuurt en de brugbuurt die in de loop van de 19e eeuw met elkaar vergroeiden. 

Het verhaal wil dat men het in 1544 bij het stichten van de eerste kerk in Dronrijp niet eens kon worden over de bouwplaats. Men liet in de nacht twee gekoppelde ossen los. Op de plaats waar de dieren de volgende dag zouden worden teruggevonden, zou de kerk verrijzen. Men trof de ossen de volgende dag in een rietpoel. Hier moet volgens de overlevering de eerste kerk zijn gebouwd

 Dronrijps legende

Dit verhaal moet in Dronrijp uitvoerig besproken zijn en tenslotte werd misschien ook wel om aan alle verdeeldheid een eind te maken, besloten, en op een avond twee ossen met een ketting aan elkaar gebonden het veld in te sturen. Het moet een dag in het vroege voorjaar zijn geweest. Bij het eerste ochtendkrieken gingen de Dronrijpsters de volgende dag op zoek. Zij hoefden niet lang te zoeken, want het spoor van de ossen was gemakkelijk te volgen door de berijpte velden en het „dreunen" van de ossen was al van verre te horen. Dat „dreunen" en die „rijp" moeten Dronrijp aan zn naam geholpen hebben en waar de ossen stonden, moest de kerk verrijzen. Zij werden aangetroffen op een stuk drassige grond bij een poel. Het terrein werd opgehoogd en daar kreeg Dronrijp zijn eerste kerk.

Lokaal spreekt met ook van De Ryp. In 2020 telde het dorp 3.240 inwoners

 

 

Stinzen rondom Menaldum

 

Wuytze state

 Deze stins stond er in elk geval al rond 1470.

Onder de ontvangers van "heerschap renten" onder Menaldum komt in 1511 Sibbel Epes voor. Waarschijnlijk is ze te identificeren met Sibbel Dyadr van Wuytza, die in de jaren voor 1504 een relatie had met de Saksische stadhouder van Friesland Wilhelm Truchsess von Waldburg. Na zijn terugkeer naar Duitsland bleef hij met haar corresponderen; hij bekommerde zich ook om de opvoeding van hun twee kinderen.

In 1528 droeg Sibbel en haar zoon Christoffel Wuytza over aan Sibbels dochter Margaretha Truchsess, gehuwd met Albert van Aernsma. In het zwanenboek van 1529 wordt vermeld dat Wuytza zate of state zwaanrecht had en al sinds 60 jaar en meer in bezit is van de voorouders (in moederlijke lijn dus) van Margaretha. Door het huwelijk Aernsma-Truchsess von Waldburg hadden vele Friezen de Waldburgs in hun kwartieren; zo ondermeer de Van Sytzama's te Friens, die op de grote wapenborden in de kerk aldaar iedere verwijzing naar de onwettige geboorte van Margaretha achterwege lieten. 

 

 

Bronnen;

P.N.Noomen ; De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, 2009

 

Fleringa of Galema

 

 

 

In 1511 was Renick Wybez Popma van Terschelling eigenaar en bewoner van die staeten toe Flaeringe. Ook in 1505 werd hij al als edelman in Menaldumadeel vermeld. In 1511 overleed ook de priester Douwa Pibez in Dronrijp. Laatstgenoemde stichtte daar een prebende, waarvan hij Renick Popma - en na hem diens rechtsopvolgers op Fleringa - samen met nog enkele anderen patroon maakte. De achtergrond daarvan was dat Renicks moeder een Gerbranda van Herbayum was, uit een familie die ook tot Douwa Pibez' verwanten behoorden.

 

In 1529 maakten Renicks beide in het buitenland vertoevende weeskinderen aanspraak op de gerechticheyt van swanejagen als sy hebben ter cause van Fleeringa state. Eén van hen, Heercke Popma, vestigde zich later op Fleringa. In 1549 verkocht hij een rente uit de state. Hij overleed er in 1554 en werd in de kerk begraven. Heerckes dochter Rieme trouwde met Hans Galesz Galema, die in 1578 hier als heerschap in het Lyaersma sextendeel van Menaldum, waarin Fleringa lag, werd aangeslagen. In 1622 werd Fleringa naar de eigenaar als edele state Gaelema aangegeven, in 1664 als edele state Fleringa. In 1728 was het goed niet meer in adellijke handen. Bij de invoering van het kadaster was het een boerderij, die samen met de bijbehorende boomgaard door een ruime vierkante gracht omgeven was.

 

 

De boerderij Fleringa , ook wel Galema genoemd , staat aan de Ljochtmisdyk 45 en wordt nu bewoond door de Fam. J. van der Wal. 

De naam Fleringa (Galema) of Flaringa wordt ongeveer voor het eerst genoemd in 1501. In 1618 wordt Gale van Galema vermeld en in 1640 is het eigendom van Joris Camp en in gebruik bij Jan Yges Tiesma. In 1700 is het in bezit van jonker Hector van Glinstra. “oud Grietman over Tietsjerkstradeel “en is dan 80 pondemaat groot. 

De boerderij ligt op een grote terp waarvan begin 1900 een groot gedeelte is afgegraven. (zie hiervoor naar het venster van de Terpen )

 

Op bijgaande foto is een nisje te zien dat naar alle waarschijnlijkheid stamt uit de tijd vlak na de reformatie ± 1650-1700, toen de Rooms katholieken niet in het openbaar bij elkaar mochten komen om de eucharistie te vieren. Dit werd officieel weer toegestaan in 1853, tot die tijd hield men zich op in schuilkerkjes en boerderijen. In boerderijen kwam men samen op de dorsvloer, het nisje op de foto zit ook bij de voormalige dorsvloer. 

 

Bronnen:

Tekst: Jan Leemburg

Website van Menaldum

“Skiednis fan Menameradiel” red. O. Santema en dr. Y.N. Ypma, 1972

“Prekadastrale atlas van Fryslan” door J.A. Mol en P.A. Noomen

 

 

Gralda state

 

Zie venster V 05

 

 

Orxma State 

 

Zie venster V 06

 

 

 

 

 

Steenfabriek ‘Oorbyt’.

Op de plek de boerderij van de familie De Boer, Tichelwurk 15, stond ooit de state Oorbyt of Oorbiet. Het is onbekend wanneer deze state precies gebouwd is. In ieder geval voor 1640 want dan komen we de eerste officiële vermelding van dit huis tegen. Om dat huis te kunnen laten bouwen, moeten de eerste bewoners daar hard voor hebben gewerkt, want ‘Oorbyt’ betekent gewoon: arbeid. De 18e eeuw in het huis aangebrachte gevelsteen komt met een heel andere verklaring. Daarop een bootje met daarin twee vechtende jonge mannen, aan de kleren te zien duidelijk uit de hogere stand. Daaronder de spreuk ‘Door de nijt wordt twist geboren. Door gebyt dit oir verloren’. Twee zonen van de bewoner van de state, aldus het verhaal, zouden verliefd zijn geworden op hetzelfde meisje en in een ruzie zou de een de ander een oor hebben afgebeten.

Dat is natuurlijk veel spannender allemaal. Maar het is gewoon een mooi verhaal, meer niet. De naam ‘Oorbyt’ komen we ook elders in Nederland tegen. De gevelsteen is in augustus 1980 ingemetseld in de noordmuur van het huis, waar nu de familie Veltman woont : Tichelwurk 11. Dit huis is in 1735 gebouwd als woning voor de opzichter van de steenfabriek die de toenmalige bewoners van Orebyt in dat jaar op het terrein van de state liet bouwen. Ook de steenfabriek heette Oorbyt. Opnieuw heel toepasselijk, want er is op deze plek tussen 1736 en 1919 heel wat afgezwoegd.

Opdrachtgevers voor de bouw waren Johannes Casparus Schik, secretaris van Menaldumadeel, en zijn vrouw Luytske Rodenhuis die in 1715 op De Orebyt komen te wonen. Zijn dochter Lucia Aurelia legt in 1736 de eerste steen. Deze gedenksteen is ook bewaard gebleven en is ook ingemetseld in de al eerder genoemde noordgevel van het huis van de familie Veltman.

In 1919 wordt de fabriek afgebroken. Alleen het huis van de voorman, een turfloods en de twee huizen van de vroegere vaste medewerkers blijven staan. In 1980 heeft Douwe Hoitema (1903 - ) op grond van eigen herinneringen en die van anderen een uitgebreide beschrijving opgesteld van het hele productieproces en alles wat daaraan te pas kwam. Hij was de jongste zoon van de laatste voorman en heeft tot zijn 16e op de steenfabriek gewoond. De fabriek was toen eigendom van de familie Vermeulen & Zoon uit Leeuwarden, thans NVB Vermeulen. Zij waren ook de eigenaren van de steenfabriek op het Wynser Tichelwurk en een pannenfabriek in Harlingen.

De productie van stenen was in die tijd, op het bakken na, seizoenswerk. Het werk begon in april met het vrijmaken van de steendroogplaatsen van onkruid. Dan werd daar in zijn geheel een laagje zeezand op aangebracht, dit werd vervolgens aangeharkt met een speciale brede hark en daarna plat gerold met een door twee van de zes vaste medewerkers getrokken zware stenen rol. Als dat klaar was, werden de seizoenwerkers aangenomen. Per seizoen : 20 mannen, 8 vrouwen en 8 jongens van 13 tot en met 16 jaar. Gezinnen werden ondergebracht in de woningen bij de fabriek, de vrijgezellen sliepen in het schaftlokaal. De klei werd door twee medewerkers afgegraven op het zogenaamde kleiland bij Wjelsryp en werd vervolgens door vier pramen naar de steenfabriek vervoerd. Daar stonden twee ploegen gereed om de klei verder te verwerken. Die kwam eerst in één van de twee kleimolens die in beweging werden gezet door trekpaarden. Eenmaal uit de kleimolen werd de klei op vormingstafel met vormen in het gewenste formaat gesneden. Er waren drie soorten stenen: klinkers, dompen(groter dan een klinker) en ronde stenen, die werden gebruikt bij het metselen van putten, zogenaamde putstenen. Vier jongens op blote voeten brachten de vormen naar de droogrekken. Als ze daar de stenen uit de vormen haalden moesten ze goed opletten geen afdrukken in de stenen achter te laten. Op de rekken werden ze door een andere medewerker met droog zand bestrooid om te vlug drogen te voorkomen. Eenmaal voldoende gedroogd werden ze op hun kant op zogenaamde hagen van twee meter hoog gestapeld. Dat moest zo gebeuren dat de wind er goed doorheen kon waaien en de stenen verder konden drogen.

Nadat de seizoenwerkers eind september vertrokken waren, begonnen de vaste medewerkers met het bakken. Dat gebeurde in een reusachtige met turf gestookte steenoven van ongeveer 15 meter hoog. Als die gevuld was, stonden er maar liefst één miljoen stenen in. Het opstapelen van de stenen in de oven was natuurlijk een secuur werkje. Net als het stoken trouwens, want de oven moest op de juiste temperatuur gebracht en gehouden worden. Werd de oven te heet dan vormde zich groen glazuur op de stenen. Steeg de temperatuur nog verder, dan gingen de stenen smelten. Beide moest uiteraard voorkomen worden. Eenmaal afgebakken werden de stenen zo dicht mogelijk bij de Harlinger trekvaart op steenhopen opgestapeld. Soort bij soort en gelijke kwaliteit bij gelijke kwaliteit. Vandaar werden ze per schip afgevoerd naar de plaats van bestemming.

In 1919 gebeurde wat in de jaren daarvoor al vele andere steenfabrieken in Friesland overkomen was, de fabriek werd gesloten en gesloopt. Waren er in 1871 nog 51 pan- en steenfabrieken in Friesland (met 1215 personeelsleden), in 1920 waren er nog maar 10.

Molens

Rogge- en pelmolen Molepôlle.

Rond 1700 heeft Willem Philippus een rogge- en pelmolen gebouwd op de hoek Molepôlle en Harlinger Trekvaart ter vervanging van een bestaande molen.

Later wordt de familie Minderaa eigenaar van deze molen. Tussen 1800 en 1900 worden als eigenaar genoemd; Wouter Feenstra, Auke Jacobs Vellinga en Sybren Sipkes van der Werf. In 1847 is geprobeerde de molen hoger te plaatsen of op te vijzelen, waardoor een betere windvang kon ontstaan. In de Leeuwarder Courant van 3 mei van dat jaar stond het volgende bericht; ‘In de vorige week is de Roggemolen te Dronrijp, die men 13 voeten hooger had opgewonden, te midden van dien arbeid omver gevallen en verbrijzeld. Een der arbeiders is daarbij door een tros tegen het hoofd en in eene sloot geslagen, ten gevolge waarvan jij kort daarna is overleden’.

Na de herbouw wordt rond 1879 de familie Kuiken eigenaar van de molen tot de afbraak in 1905 omdat er geen opvolger was. De molen is niet helemaal verloren gegaan. De bovenbouw is herplaatst op de molen van Derk Aalfs te Bergumerdam. Deze molen is tot 1927 in bedrijf geweest.

Stoom-olie- en houtzaagmolen.

In 1854 laat A.B. Ringnalda een Stoom-olie- en houtzaagmolen in Dronrijp bouwen. Naast wind kon ook stoom de molen laten werken. In 1855 kwam de molen in bedrijf. Drie jaar later, In de nacht van 1 op 2 augustus, brandden de molen en de naastgelegen fabriek af onder verdachte omstandigheden. Wat bleek. De molen en de fabriek zouden geveild worden, maar de eigenaar was reeds spoorloos verdwenen. Hij werd later gearresteerd op verdenking van brandstichting en daar ook op veroordeeld.

Molen op wagenmakerij.

Een aparte molen was die van de smid en wagenmaker Sybolt Wytzes de Boer. Rond 1900 bouwde zijn zoon Wytze Sybolt samen met molenbouwer Jarich Wester uit Franeker een ‘aparte’ molen op de wagenmakerij. De windkracht van de molen diende voor aandrijving van een draaibank, lintzaag en raamzaag. Naast wagenmaker was de Boer ook een van de weinige Friese rijtuigmakers. Via de tilbury’s, brikjes en ‘glêzen weintsjes’ kwam de fiets en daarna de auto. Een broer van Sybolt, Minne, ging via het bedrijf in Dronrijp verder als het toen in Leeuwarden bekende VW-bedrijf ‘de Boer’s garagebedrijven N.V. Later overgenomen door Bourguignon.

Aardappelmeelfabriek.

Op 27 mei 1879 diende Jurjen Duintjer Ezn. een aanvraag in bij het gemeentebestuur van Menaldumadeel tot de oprichting van een aardappelmeelfabriek aan de trekweg te Dronrijp. De aanvraag werd toegewezen en de nieuwe fabriek werd geëxploiteerd door de Firma Duintjer, Wilkens Meihuizen & Co. In de campagnetijd wekten er veertig tot vijftig medewerkers in de fabriek. Ze werketen in ploegendienst van 6 – 18 en van 18 – 6 uur. Directeur was eerst Nando Hendrik Mulder. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Nando. De fabriek draaide tot 1932.

Coöperatieve zuivelfabriek ‘de Volharding’.

Op 23 september 1891 werd door 25 veehouders besloten om te komen tot een Coöperatieve vereniging tot het oprichten en drijven van een stoomzuivelfabriek te Dronrijp. Mr. Willem Adriaan Bergsma, burgemeester van Menaldumadeel en een groot voorstander van coöperaties, gaf de aanzet tot het oprichten van de fabriek in Dronrijp.

De oprichtingsvergadering vond plaats op 22 april 1891 in de herberg van wed. J.S . Terpstra te Dronrijp. De lijst van oprichting werd getekend door 25 boeren met in totaal 300 koeien. De naam van de fabriek werd ‘De Volharding”. Dronrijp was de tweede coöperatieve zuivelfabriek van Friesland. Om te zorgen voor voldoende afzet van de producten werd in 1898 de Frico ( de Friesche Coöperatieve Zuivel-Export Vereeniging) opgericht met de deelnemende fabrieken van Achlum, Akkrum, Bartlehiem, Marssum, Giekerk en Dronrijp.

In de beginjaren werd eerst alleen maar boter geproduceerd. Steeds meer boeren sloten zich aan en vanaf 1894 werden ook Leidse kazen, Goudse en Edammers gemaakt en werd er karnemelk en afgeroomde melk verkocht.

In 1900 werd flink geïnvesteerd. Er kwam een pekelkelder met twee zolders voor de berging van de kaas; een koelinrichting voor de boter ; het ijshuis verbouwd; het laboratorium uitgebreid; de bestaande boterkelder als regenwaterbak omgebouwd en kwamen er 14 grote bassins van 700 liter inhoud voor de opslag en afkoeling van de melk.

In 1911 werden nieuwe ketels geplaatst en kwamen er elektromotoren. In 1914 verrezen aan het Holpaed 4 fabriekswoningen, waarvan de huurprijs f 1,50 per week was. In 1927 werd de fabriek verbouwd om meer productie te kunnen leveren. De gezichtsbepalende puntdaken verdwenen voor een nieuwe gevel met platte daken.

Het eerste jaar na de verbouwing was nog goed, maar daarna volgden mindere jaren door weersinvloeden en door de economische crisis in Europa en de rest van de wereld. Na de crisis volgde in 1935 de eerste fusie met de fabriek in Ried en na sluiting van de fabrieken in Hijlaard en Winsum nam het aantal boeren weer flink toe en steeg de productie. Echter de Tweede Wereld oorlog zorgde opnieuw voor slechte jaren. Na de oorlog was er geen geld om opnieuw te investeren, zodat het personeel zorgvuldig om moest gaan met het materiaal. Vooral gold dit voor de melkbussen, waarvan in de oorlog veel waren verdwenen.

Begin jaren vijftig was er voldoende geld om een grote verbouwing te doen en de fabriek tot de modernste van die tijd te maken. De aanvoer van melk steeg en door verbeterde technieken kon sneller en doelmatiger worden gewerkt. De aanschaf van een poederinstallatie, samen met de fabriek in Wirdum, zorgde voor nog meer capaciteit aan producten. Desondanks ging het in de provincie Friesland steeds slechter met de totale zuivelindustrie. Er waren teveel zuivelfabrieken en met behulp van het ministerie kwamen maatschapsovereenkomsten tot stand tussen Dronrijp, Marssum en Sexbierum. Ook Berlikum kwam hier later bij en stapte toen over tot het maken van ijs, wafels, e.d. In 1961 werd deze maatschap overgezet in een fusie en kreeg de nieuwe coöperatie de naam C.V. de Maatschap. Het daarop kwam het ministerie met cijfers en conclusies, die het einde betekenden voor de kleine zuivelfabrieken. Dronrijp was groot genoeg om door te gaan en door samenwerking met Frico werd in 1967 de modernste kaasfabriek van Europa gerealiseerd. Schaalvergroting zorgde de jaren daarna voor vele fusies, sluiten van fabrieken en nieuwe namen. De laatste fusie voor de fabriek in Dronrijp was met ‘De Takomst’ in Wolvega. Hier kwam ook de directeur te zitten en daarmee was de ‘zelfstandigheid’ van Dronrijp voorbij. De ontwikkeling in de zuivel zette snel door en de modernste fabriek in 1967, bleek 10 jaar later alweer achterhaald. Met een investering van 20 miljoen gulden werd in Dronrijp een hypermoderne kaasfabriek neer gezet, die in 1979 door koningin Juliana werd geopend. Weer stond in Dronrijp een van de grootste en modernste zuivelfabrieken van Europa. Fusies bleken door te gaan en in 1982 werd Dronrijp onderdeel van de coöperatie ‘C.M. Noord-Nederland B.A. gevestigd te Leeuwarden. Later gevolgd door FRIESLAND Frico-Domo nog weer later door FrieslandCampina. De kaasfabriek stopte in 2011, waardoor 86 banen verdwenen. In Dronrijp wordt nu alleen nog wei verwerkt.

Vlasfabrieken.

Dronrijp had 4 vlasfabrieken. Op de Keimptilsterdyk zat Van der Wal; in de voormalige aardappelmeelfabriek aan de Harlingertrekweg zat Van der Vlas; G. Bruinsma aan de Hommemastraat en de Firma Geuker aan het einde van het Holpaed.

Rond 1916 begon de firma Geuker van der Schoot en Steensma in de boerderij aan het Holpaed een vlasfabriek. De fabriek was voorzien van een braakmachine en zes zwingels. Het vrijkomende stof werd afgezogen, een enorme verbetering voor de gezondheid van de arbeiders. In de fabriek werden Dronrijpsters en een aantal Belgische vlasbewerkers aangesteld. De fabriek gaf werk aan 50 personen. In 1921 is deze vlasfabriek gesloten.

De vlasplant werd met wortel en al uit de grond getrokken om een zo lang mogelijke vezel te behouden. Vroeger gebeurde dit met de hand en werd het vla in schoven gezet. Dit gaf het typische beeld van de ‘vlaskapelletjes’; kleine bosjes drogend vlas. In latere jaren werd het vlas plat op de grond gelegd, een bewerking die ‘slijten’ werd genoemd. Tegenwoordig gebeurt het trekken machinaal. De fabriek aan het Holpaed zal met de renovatie van de boerderij worden gesloopt.

Werktuigenfabriek ‘Friesland’.

Molenaarszoon Rein Kuiken had andere aspiraties dan zijn vader. Samen met de directeur van de Zuivelfabriek in Dronrijp, Pieter Statema, die meer belangstelling had voor werktuigen dan de zuivel, startten zij een fabriekje voor zuivelwerktuigen met als beheerder Rein Kuiken. De fabriek kwam in het voormalige armenhuis op Halfweg.

Naast zuivelapparatuur werden er ook fietsen gemaakt onder de naam ’t Swealtsje. In 1904 werd het de N.V. Werktuigenfabriek Friesland. Op sterk aandringen van het bestuur van de zuivelfabriek werd Statema gedwongen om een keus te maken tussen de zuivelfabriek en de werktuigenfabriek. Hij koos voor de laatste en vertrok in 1908 naar Leeuwarden, waar op de fundamenten van de oliemolen de Jonge Fenix aan het Zuidvliet, een nieuwe werktuigenfabriek ‘Friesland’ werd gebouwd. Deze is in 2012 gesloopt.

Kurkfabriek Kuiken.

Nadat compagnon Statema naar Leeuwarden was vertrokken, ging Rein Kuiken zich als zelfstandig isoleerder richten op zuivelfabrieken. In 1908 ging hij isolerende kurkplaten en schalen uit eikenschors fabriceren. Door sterke groei werd het noodzakelijk een grotere fabriek te bouwen. Dit gebeurde aan de Alddyk.

De kurkfabriek werd één van de belangrijkste leveranciers voor isolatiebedrijven in Nerdeland. De zoon van Rein Kuiken, Gauko, volgde zijn vader op en stootte het isolatiewerk geleidelijk af. Hij deed dit omdat hij vond dat je als leverancier je afnemers, de isoleerders, niet kon beconcurreren. In Dronrijp nam het plaatselijke isolatiebedrijf Van der Heide het werk van Kuiken over. De zoons Rein en Thees van Gauko Kuiken hebben het bedrijf voortgezet.

In 2008 zijn de fabriek en de bijgebouwen afgebroken en is op de plek Kukshiem, een wooncomplex met daaronder winkels, neergezet. De naam is een mooi eerbetoon aan de voormalig fabriek en eigenaars.

Pluimveeslachterij W. van der Meer.

De grondlegger van het bedrijf is Wytse J. van der Meer. Hij was de oudste zoon van een kleine gaardenier uit Bayum, een dorpje ten zuiden van Dronrijp. Als jongen interesseerde hem al de handel en als hij tijd overhad, handelde in pluimvee, klein vee, paardenhaar, wol en vellen. Hij kocht in 1934 het pand waar nu de slachterij is gevestigd en in september 1935 werd de pluimveeslachterij opgericht onder de merknaam W.M.D; Wytse van de Meer uit Dronrijp.

In 1947 brak de vogelpest uit en daardoor kwam de handel en de slacht volledig stil te liggen. Het woonhuis is toen verbouwd met behulp van de vaste krachten. Pas in 1949 kwam het slachten van kippen en kuikens weer op gang. Het slachten van de kippen werd door het personeel aangenomen voor 15 cent. De zonen van Van der Meer hielpen mee bij het nastoppelen voor 2 cent per kip. Met kerst werden toen veel konijnen geslacht. Rond jaren 1950 werd de slachterij vergroot tot een ruimte van 7 bij 5 meter. De kippen werden gekocht op de markten in Leeuwarden en Groningen, maar ook rechtstreeks bij boeren. In 1954 werd de eerste transportauto aangeschaft. Voordien gebeurde dat met een gehuurde auto. Door de groeiende vraag naar kippen moest er worden uitgebreid, de laatste keer in 1963 met een nieuwe hal. De automatisering zorgde dat er machines kwamen die het handmatig plukken en slachten via moderne slachtlijnen sneller en efficiënter maakten. En nieuwe investering was noodzakelijk toen vanaf 1965 de kippen panklaar moesten worden afgeleverd. De plastic zakken en kartonnen dozen deden hun intrede en er werd een koelauto aangeschaft.

Bij beroemde of bekende Rypsters kan er gemakkelijk discussie ontstaan over de keuze die wij als makers van dit boek hebben gemaakt. Wij hebben gekozen voor Eise Eisinga, Alma Tadema en Sjirk de Wal, omdat deze personen ook nu nog tot de verbeelding spreken door daden, het planetarium van Eise Eisinga, de wereldberoemde schilderijen van Alma Tadema, of door hun vernoeming zoals de bekende kaatser Sjirk de Wal. Eise Eisinga

Eise Eisinga werd op 21 februari 1744 geboren in Dronrijp als zoon van een wolkammer, die woonde aan de Kerkebuurt (nu Tsjerkebuorren nr. 13). Hij bleek al snel hoogbegaafd, maar mocht niet naar het gymnasium. Hij moest meewerken in de wolkammerij. Op zijn vijftiende schreef jij al een wiskundeboek en 2 jaar later een boek over de sterrenkunde. Eise werd ook wolkammer en in zijn weinige vrije tijd liep hij naar franker om daar aan de Academie wiskunde en sterrenkunde te studeren. Daar verdiepte hij zich ook in de werking van zonnewijzers en publiceerde een boek met tekeningen van ongeveer 150 zonnewijzers. Op 24 jarige leeftijd trouwde hij met Pietje Jacobs. Ze kregen 2 zonen. In 1787 raakte hij als vurig patriot in conflict met de prinsgezinden en de Provinciale Staten van Friesland. De spanningen liepen hoog op en samen met Court Lambertus van Beyma en Johannes Lambertus Huber trokken ze zich terug in Franeker, om zich te verdedigen tegen de prinsgezinden. Nadat Franeker werd bezet, sloegen de patriotten op de vlucht. Eise Eisinga ging naar Duitsland, naar het plaatsje Aurich. Zijn vrouw overleed in die tijd en zijn huis werd verbeurd geklaard. In 1791 werd hij alsnog veroordeeld tot vijf jaar verbanning uit Friesland. Hij ging toen naar Visvliet en werd weer wolkammer. Hij trouwde daar opnieuw. In 1795 kon hij weer terug naar Friesland. Hij werd lid van de Provinciale Staten en hoogleraar aan de Franeker Academie. In 1828 is hij overleden en begraven in hetzelfde graf als zijn vader. Op de zerk naast de Salviuskerk (‘d Alde Wite) in Dronrijp staat een puzzeltje over de sterfdatum en leeftijd van zijn vader. Op zijn geboortehuis aan de Tsjerkebuorren staat een plaquette en tegenover het huis een borstbeeld. Het Planetarium

In 1774 beweerde de predikant Eelco Alta uit Bozum, Eelco dat de wereld zou vergaan als gevolg van een samenstand de planeten Mercurius, Venus, Mars en Jupiter. Eise Eisinga wilde met een planetarium bewijzen dat dat niet zo was. Hij bouwde op de zolder van zijn huis in Franker ons zonnestelsel na. Hij dacht in zes maanden klaar te zijn, maar het duurde tot 1778. In zijn testament had hij opgeschreven hoe het planetarium werkt. Het planetarium is het oudste nog werkende en trekt jaarlijks duizenden bezoekers uit de gehele wereld. Het heeft nu ook het predicaat Koninklijk en is voorgedragen voor de Werelderfgoedlijst van Unesco.

In 1863 kwam de spoorlijn tussen Leeuwarden en Harlingen gereed , er komt op Hatzum een station met daarnaast een station koffiehuis, waarvan Jelle Donia de eerste kastelein wordt. Na hem runt zijn oudere broer Yme vijf jaar de zaak tot hij na het overlijden van zijn tweede vrouw de huur opzegt. De volgende Donia wordt jongste broer Johannes, in december 1879 getrouwd met Reinskje Cornelis Sijtsma

Het station koffiehuis vormt een centraal punt in de omgeving en geniet een goed lopende klantenkring. Het koffiehuis wordt niet alleen door reizigers bezocht, maar biedt ook regelmatig plaats bij verkopingen van o.a. percelen land. Johannes Jochums Donia overlijdt in december 1898, pas 42 jaar oud. Reinskje zet de zaak voort tot Jochum in 1905 in het huwelijk treedt. Dan nemen hij en zijn vrouw Trijntje Sijtsma de zaak over en gaat Reinskje aan de Hearewei in Dronrijp wonen. Na 15 jaar weduwe te zijn geweest hertrouwt Reinskje Sijtsma in mei 1913 met Auke Tolsma van Marssum. Ze gaan in de Steynstraat in Leeuwarden wonen, waar Reinskje in april 1925 op bijna 70-jarige leeftijd overlijdt. Het zilveren armbandje met tien schakels, gekregen van haar ouders nadat ze als oudste dochter de opdracht had voltooid om voor alle tien kinderen een paar kousen te breien , kreeg kleindochter Reinskje van der Zee. Zij heeft het op haar beurt doorgegeven aan kleindochter Janne. Door de jaren heen zijn altijd de portretten van Johannes Donia en Reinskje Sijtsma in de gelagkamer van het voormalige stations koffiehuis blijven hangen. De tegenwoordige eigenaar heeft ze verplaatst naar de gang. Jochum Donia trouwt op 25 mei 1905 met zijn nicht Trijntje Pieters Sijtsma, die die dag 21 jaar wordt. Voor zijn trouwen heeft Jochum drie jaar als boerenknecht bij zijn oom Gerben op Dotinga state gewerkt. Na hun huwelijk nemen Jochum en Trintje het stations koffiehuis op Hatzum over, waar Trijntje vooral de scepter zwaait. Jochum houdt zich net als zijn vader bezig met het vee en de graanhandel. Ook heeft hij een tilbury brik waarmee hij treinpassagiers naar o.a. Winsum vervoert. Jochum en Trijntje krijgen twee jongens: Johannes (1906) en Pieter (1909). ln 1917 is Trijntje haar vader Pieter Sijtsma van plan om te stoppen met boeren op Fetsa state en laat een huis aan de Hearewei bouwen. Jochum en Trijntje laten Hatzum achter zich en worden boer en boerin op Fetsa state. Hiermee komt een eind komt aan meer dan 50 jaar Donia's in het stations koffiehuis op Hatzum. Het stations koffiehuis op Hatzum in de jaren '80, nog zonder de serre die later op de plek van het terras is gekomen.

In de oorlogs periode zijn boven het cafe veel vergaderingen gehouden door het verzet.  Er achter is nog net de schuur te zien van Johannes Donia. Deze werd gebruikt door het verzet voor schietoefeningen .

Daar weer achter staat de manege van de Poptaruiters. Na de Donia's heeft H. Dijkstra de zaak 44 jaar gerund tot 1961. Hij had een dekhengstenstation in de schuur. Onder het beheer van de volgende eigenaar raakt de zaak langzaamaan in verval tot Tom Mercuur en Jaap Wolters in 1987 het pand in handen krijgen. Zij herstellen het in de oorspronkelijke staat en vestigen er een paling- en visrestaurant, die ze de naam 'Op Hatsum' geven. ln de omgebouwde schuur, waar vroeger Donia's koeien onderdak vonden, werden voortaan palingen gerookt. Na meerdere huurders is het pand nu verkocht en de tegenwoordige nieuwe eigenaar van 'Op Hatsum' heeft naast vis meerdere gerechten op de menukaart.

Herdenking Dronryp.

Bij de brug over het Van Harinxmakanaal in Dronryp ligt een monument ter nagedachtenis aan elf verzetsmannen die hier, een maand voor het einde van de oorlog, op 11 april 1945 door de Duitse bezetter werden gefusilleerd.

De namen van de elf slachtoffers luiden:

Sijbrandus van Dam; Heinrich Harder, Dirk de Jong, Hendrik Jan de Jong, Ruurd Kooistra, Johannes Nieuwland, Hendrik Jozef Spoelstra, Douwe Tuinstra, Egbert Mark Wierda, Hyltje Wierda en Klaas Jan Wijpcke.

Begin april 1945 wees alles er op dat Noord Nederland vanuit het zuiden ook spoedig bevrijd zou worden. De Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten gaven daarom het bevel om de terugtocht van de Duitsers zoveel mogelijk te bemoeilijken met ‘sabotage op weg, rail en water’. Hiervoor werden de spoorlijnen Leeuwarden – Franeker en Leeuwarden – Buitenpost als doelwit gekozen. De ondergrondse gevechtsgroep Dronrijp, onder leiding van Broer Dijkstra uit Hatzum, draaide 15 meter rails los. De verzetsgroep Franker draaide daar over een afstand van 75 meter alle bouten uit de rails los. Op 10 april ’s morgens ontspoorde een Duitse locomotief met 26 wagons uit Leeuwarden. De locomotief en 5 wagons gleden naast het spoor. De lading afweergeschut en elektromotoren lagen naast de spoordijk.

Vijfentwintig mannen uit Blessum, Boksum en Deinum werden van huis gehaald om te helpen opruimen bij het spoor. Ze konden weinig doen omdat alles te zwaar was om met spierkracht te verslepen. Ze moesten wachten tot de hulptrein van de opruimingsdienst uit Leeuwarden kwam. Pas de volgende morgen, de dag van de executie, mochten ze weer naar huis. De Duitse Sicherheitsdienst uit Groningen gelastte direct na de sabotage een tegenactie. Op 11 april moesten twintig verzetsmensenman worden dood geschoten bij Dronrijp bij op Hatzum. De geheime luisterpost van het verzet in Leeuwarden ving dit bericht op en de verzetsgroepen kregen opdracht naar de sabotageplaat te gaan om de mannen te bevrijden. De groep Dronrijp nam posities in bij de spoorlijn, omdat ze verwachtten dat de gevangenen uit het Burmaniahuis in Leeuwarden met de trein naar Dronrijp zouden worden vervoerd. Dit gebeurde niet. De 14 gevangenen werden met 5 auto’s naar Dronrijp gebracht. De bedoeling was om via de brug naar op Hatzum te rijden en daar de executie uit te voeren. Op het moment dat ze in Dronrijp aankwamen, vlogen er Engelse jachtvliegtuigen boven het dorp. Ze ontdekten ook dat de brug over het Van Harinxmakanaal omhoog stond. Dit had de brugwachter de dag ervoor gedaan en was toen ondergedoken met zijn familie. De Duitsers besloten de executie dan maar aan de voet van de dijk bij de brug te gaan doen. In drie groepen werden de gevangen verzetsmannen naar beneden gebracht en daar gefusilleerd. De gedode mannen moesten daar een etmaal blijven liggen als afschrikking. Eén van de mannen, Gerard de Jong uit Huizum, overleefde de executie door zich ‘dood te houden’.

De 11 gedode mannen werden met paard en wagen door het dorp afgevoerd. Ook waarschijnlijk weer als afschrikking bedoeld. Onderstaande foto is genomen vanuit de erker van het geboortehuis van Alma Tadema. We zien de trieste stoet het Skilpaed op gaan. Rechts café De Posthoorn. Van de dertien worden er elf herdacht op de executieplaats. Degenen die niet herdacht worden zijn: Johannes Marinus Ducaneaux, verdacht van spionage voor de Duiters en Oudger (Oetske) van Dijk, een uit Duitse dienst gedeserteerde Waffen-SSer.

Ieder jaar is ’s avond op 4 mei een herdenking bij de brug. Drie basisschoolleerlingen dragen dan een zelfgemaakt gedicht voor.

Bij beroemde of bekende Rypsters kan er gemakkelijk discussie ontstaan over de keuze die wij als makers van dit boek hebben gemaakt. Wij hebben gekozen voor Eise Eisinga, Alma Tadema en Sjirk de Wal, omdat deze personen ook nu nog tot de verbeelding spreken door daden, het planetarium van Eise Eisinga, de wereldberoemde schilderijen van Alma Tadema, of door hun vernoeming zoals de bekende kaatser Sjirk de Wal. Alma Tadema

Lourens Alma Tadema, ook bekend als Laurens Alma Tadema en Lawrence Alma Tadema werd op 8 januari 1836 geboren in Dronrijp in het karakteristieke huis met de witte uitbouw aan de voormalige Harlinger Trekvaart bij de brug. Het geboortehuis van Alma Tadema is waarschijnlijk in de 18de eeuw gebouwd en heeft aan de kant van de trekvaart op de verdieping een opvallende erker. Vanuit de erker van hun huis had de familie Tadema goed zicht op de drukte hier ter plaatse. Het grote pand kwam in 1810 of 1811 in bezit van Johannes Lambertus Huber. Huber woonde eigenlijk op het buiten Schatzenburg en de reden waarom hij dit huis gekocht heeft is onduidelijk. Hij verkocht het pand in 1818 aan notaris, Wijtze Keimpes Hoekstra, die het op zijn beurt in 1820 verkocht aan Feike Ydes de Boer. Van laatstgenoemde kocht vader Pieter Tadema in 1832 het huis. Ook na de verkoop door Pieter Tadema zou het huis nog vele jaren functioneren als notariswoning.

Lourens Alma Tadema woonde maar kort in Dronrijp. In 1838 verhuisden ze naar Leeuwarden naar de Uniabuurt nr. 8. Hier zat later tot 2019 al meer dan honderd jaar Café de Ossekop, ook bekend als Café Eygelaar. Lourens volgde in Leeuwarden de lagere school en het gymnasium . Een tijdgenoot van hem was Francois Haverschmidt, de later bekende dichter Piet Paaltjes van o.a. Snikken en Grimlachjes. Het was de bedoeling dat Lourens rechten zou gaan studeren, maar op zijn vijftiende stortte hij lichamelijk en geestelijk in door de tering. Er werd voor zijn leven gevreesd en hij mocht zich helemaal gaan wijden aan zijn grootste hobby tekenen en schilderen. Hij herstelde en ging studeren aan de kunstacademie in Antwerpen.

Onder begeleiding van bekende Belgische schilders maakte hij in 1861 zijn eerste belangrijke werk ‘de opvoeding van de kinderen van Clovis’. Dit werd met groot enthousiasme ontvangen en wordt wel gezien als de start van zijn roemrijke carrière. Tijdens zijn huwelijksreis naar Florence, Rome , Napels en Pompeï werd hij enthousiast van het oude Rome. Hij verhuisde na het overlijden van zijn vrouw naar Londen, waar zijn carrière een enorme vlucht nam en waar hij opnieuw trouwde.

In 1879 werd hij toegelaten tot de Royal Academy of Arts en in 1899 werd hij geridderd en mocht zich Sir Lawrence noemen. Naast schilderijen ontwierp hij ook kostuums en meubels. Na het overlijden van zijn tweede vrouw werd hij zelf ook ziek en ging voor de behandeling hiervan naar de bronnen van Wiesbaden. Hier overleed hij op 28 juni 1912. Hij werd begraven in een crypte in de St. Paul’s Cathedral in Londen. Een buitengewone eer voor iemand die niet Brits van geboorte was. Op het huis aan de Dûbelestreek 2 te Dronrijp is door de Royal Academie een plaquette geplaatst als eerbetoon. Dronrijp zelf heeft hem geëerd met een standbeeld tegenover zijn geboortehuis.

Dronryp kun je gerust een muzikaal dorp noemen. Het verleden en heden laat dat zien met verschillende corpsen, koren en individuele muzikanten. In dit thema komen ze allemaal voorbij. Corpsen Fanfare-corps “Wilhelmina”.

Oude advertenties van de Leeuwarder Courant rond 1900 vermeldden het fanfare-corps “Wilhelmina” uit Dronrijp bij feesten en concoursen. Uit een advertentie van de Leeuwarder Courant zou kunnen worden afgeleid dat dit corps in 1895 is opgericht, omdat hier wordt gesproken over het 1e concert. Wanneer het is gestopt is onbekend. In een wedstrijdverslag stond dat dit corps 18 ‘werkende’ leden had.

Bericht uit de Leeuwarder Courant :

Dronrijp, 26 juli 1896
Benoemd tot directeur van het fanfare-corps “Wilhelmina”, alhier, de heer K. Visser, kapelmeester van de schutterij te Franeker, in plaats van den heer E. Rap, die voor deze betrekking heeft bedankt. Beschermheer van dit corps was mr. W.A. Bergsma, burgemeester van Menaldumadeel van 1 september 1858 tot 15 maart 1901. Hij woonde in Dronrijp. Christelijke Muziekvereniging ‘Looft den Heer’.

Deze muziekvereniging werd opgericht in september 1923 en met een grote voortvarendheid kon dirigent Terpstra in november de eerste repetitie met gloednieuwe instrumenten houden. Het corps oefende in de gereformeerde kerk en maakte ook wel eens gebruik van het toenmalige Dorpshuis. Het lukte niet altijd om voldoende spelende leden te houden. In 1933 is het een keer gebeurd dat na een repetitie 8 leden opstapten. Meestal ging het goed en de jaren 1935 tot 1940 waren heel succesvol. Er werd dan ook besloten om een vaandel te laten maken. Grote animators hiervan waren Broer Terpstra en Otto Dijkstra. Het vaandel hangt nu trots aan de muur in de ‘Rypster Aldheidskeamer ‘ van Geert Venema, Skilpaed 16. In de oorlogsjaren was er gedwongen rust, omdat de Duisters de Nederlandse muziek niet tolereerden. In 1976 is de muziekvereniging ‘Looft den Heer’ gestopt. Muziekvereniging Kunst & Genoegen.

In 1932 vormden E. Ganzinga, schilder, G. de Witte, timmerman, K. Bonnema, kruidenier, U. Veersma, rijwielen en motoren en E.W. de Boer, slager, een commissie om een fanfare in Dronrijp op te richten. Daarvoor waren allereerst aspirant leden nodig en natuurlijk instrumenten. Het gelukte de commissie om 21 instrumenten voor slechts f 240,00 te kopen van het politiekorps uit Amsterdam. Aardig is te vermelden dat deze instrumenten franco werden bezorgd met de vrachtboot de Stânfries. De heer T. Postma, muziekleraar uit Dronrijp, werd de dirigent/directeur voor f 4,00 per week, waarvoor hij ook de leden moest opleiden. Als oefenruimte werd het gymnastieklokaal van de Openbare Lagere School gebruikt. De huur was van 1 mei tot 1 oktober f 0,10 per uur en vanaf 1 oktober tot 1 mei f 0,20 per uur.

25 november 1932; verslag van de grote dag van de oprichting;

"‘s Avonds zijn alle aspirant werkende leden en bestuursleden aanwezig. Ook de instrumenten staan op een rij in ’t lokaal. Elk aspirant-lid staart met grote ogen naar de instrumenten in afwachting welk instrument hem straks zal worden toegewezen. De Voorzitter, de heer Ganzinga, opende met enige waarderende woorden deze bijeenkomst en meteen werd het fanfarekorps opgericht en gedoopt met de naam “Kunst en Genoegen”. De werkende leden wordt bekend gemaakt dat zij zoo meteen allen een instrument zullen ontvangen, maar dat het heel goed mogelijk is dat hun straks een ander instrument wordt toegewezen. Dan worden de instrumenten uitgedeeld door de Directeur en een ieder moet proberen een toon aan te blazen, wat soms lukt en soms niet. Vreemde geluiden, zo dat degene die blies er soms zelf van schrok. Er was iemand die niet bij machte was er geluid uit te krijgen. Weer proberen en nogmaals en, ja, een knal en de aspirant muzikant verbleekte van schrik. Een ieder werd door de Directeur een les opgegeven om die thuis even in te studeren."

De fanfare Kunst & Genoegen heeft de afgelopen 85 jaar heel wat activiteiten opgeluisterd met hun muzikale optredens. Jaarlijkse uitvoeringen met toneel of Nieuwjaarsconcerten met ‘wat er bij’; 85 keer deelname aan de Merke; jubilea, ontvangst Ouden van Dagentochten; concoursen; gemeentelijke festivals; het grootse Us ‘Eenhoorn’ Slotakkoard; honderden thuiskomsten schoolreisjes; boerenkapel-schnabbels;, Sinterklaasintochten; Theetuin Slappeterp; festivals Schiermonnikoog; rommelmarkten voetbalclub; onthulling standbeelden; kampioenen voetbal en winnaars kaatsen; huldiging Abe de Vries, winnaar Elfstedentocht 1933; en ga zo maar door. Christelijke Brassband Dronrijp.

Deze brassband was een voortzetting van het corps ‘Looft den Heer’ en werd opgericht op 27 november 1976 en had geen houtblazers meer. Er waren een A-corps met zo’n 25 leden en een B-corps met 22 jeugdleden. In de eerste jaren waren de heer en mevrouw Liefers de voortrekkers. Zij verhuisden echter in 1980 naar Drachten en verlieten daarom de brassband. De leden droegen in de beginjaren bij optredens vlinderstrikjes, maar door ademhalingsproblemen werden deze afgeschaft. In 1983 werden het A en B-corps samengevoegd. In 1988 bleven er steeds minder leden over, dirigent P. van der Heide gaf aan te willen stoppen en er waren financiële problemen. Na een lange vergadering in 1989 werd via stemming besloten om te gaan stoppen. Iedereen die wilde doorgaan met muziek maken werd aangemoedigd om dit bij een ander corps te gaan doen. Koren

In Dronryp waren verschillende koren actief. Naast drie kerkkoren waren er ook zelfstandige koren.

Zo waren er: • de Christelijke Zangvereniging “Halleluja” • het Rooms-Katholiek Gemengd Koor en het R.K. Jeugdkoor • het Hervormd Kerkkoor • het Kinderkoor der Christelijk Nationale School, • de Zangvereniging De Harmonie • het Onthouderszangkoor o.l.v. meester T. Meijer Trio Dronrijp

Teake Postma, Harm Goslinga en ‘lytse’ Kobus Westra verdienden hun geld met het maken van muziek bij alle mogelijke feestelijke aangelegenheden, individueel, maar ook als Trio Dronrijp. Postma heeft vele Rypsters viool- en pianoles gegeven. Hij was onbetaald dirigent van het Strijkorkest Dronrijp. In dit strijkorkest speelden zo’n 10 violen, 1 cello, 1 piano, 1 orgel, 1 klarinet, 1 trombone, 1 trompet en soms 1 slagwerk. Westra had een timmer- en meubelmakersbedrijf achter zijn woning aan de Haven. Westra trad daarnaast ook op als voordrager. Zijn bekendste conference was ‘De Stikelstekker’. Gerard Veldhuizen, piano- en accordeonleraar

Amsterdammer Gerard Veldhuizen (1904-1994) was getrouwd met Marie Tuinstra, geboren en getogen in de Tsjerkebuorren. Hij kwam in het laatste oorlogsjaar, op de fiets, vanuit Amsterdam en vestigde zich in Dronrijp als piano- en vooral accordeonleraar. De accordeon was in die tijd een populair instrument. Veldhuizen kon meteen na de oorlog profiteren van de vele feesten als pianist in het in die tijd zeer bekende dansorkest De Amalfi ’s uit Leeuwarden.

Vele Rypsters kregen van Veldhuizen accordeonles en de meesten speelden ook in één van de twee Accordeonorkesten (gevorderden zo ‘n 12 tot 15 leden en een iets kleiner beginnersorkest , beide met piano en slagwerk) die op zondagmorgen oefenden in het Dorpshuis. Tijdens de jaarlijkse uitvoeringen zat de zaal van het Dorpshuis vol met muziekliefhebbers . Rond 1960 kon Veldhuizen zijn werk als amusementsmuzikant , o.a. in The Midnight Swingers, Calypso ’s o.l.v. Lytse Wietse (foto) en pianist bij het Selskip Tetman de Vries, minder combineren met de repetities op de vroege zondagmorgen. Ook kozen jongeren toen meer voor de gitaar dan voor de accordeon. Veldhuizen heeft nog vele jaren in zijn woning aan het Holpaed 13 lesgegeven. Meester Meijer

Meester Meijer was meester van de Openbare School en initiatiefnemer van vele culturele en andere dorpsactiviteiten, zoals het organiseren van vliegerwedstrijden met zelfgebouwde ‘draken’ tot het dirigeren van koren en het bedenken en uitvoeren van kinder-musicals. Hij was 40 jaar lang een vakkundig organist in ‘d Alde Wite en speelde ook vele jaren een ‘echte’ Sinterklaas.

Foppinga State was een van de oudere stinzen/states in Menaldumadeel. Al in 1426 is er sprake van een Hessel Foppinga die in dat jaar te Dronrijp sterft.
In 1529 deed Salvius van Foppinga aangifte van het zwanenrecht van Foppinga State en tegelijkertijd van dat recht op Dotinga State, dat eigendom is van zijn echtgenote Aelcke van Hermana.

In 1606 trouwt de Rooms Katholieke eigenaar Seino Lewe met Tytcke van Vervou, weduwe Coenders.
Damas van Loo, een telg uit het bekende Leeuwarder magistratengeslacht, kocht de state in 1654, maar Arend van Loo, kapitein-majoor van een regiment infanterie, deed het 4 jaar later (1658) alweer van de hand. Waarschijnlijk kon ook hij het geld beter gebruiken dan het huis… Het was dan ook een dure tijd om je stand op te houden als officier.

In 1665 is het goed eigendom van Margaretha van Cammingha, weduwe van Sicco van Grovestins, raadsheer aan het Hof van Friesland, die tijdens zijn leven eigenaar was van Dotinga State.
Wumkes schrijft in zijn kroniek bij 1723 “Foppinga-state aldaar van Mevr. Haersolte, geb. Grovestins, bewoond door den hr. Heemstra.
Op de kaart van Halma uit 1718 is de State nog groot aangegeven en lijkt nog in volle bloei. Volgens Van Burmania is de state echter reeds in 1742 afgebroken. Later werd op het terrein van de State zuivelfabriek ‘De Takomst’ gebouwd. tot 1426 Hessel Foppinga
1529 Salvius van Foppinga
1606 Seino Lewe
1654 Damas van Loo
1658 Arend van Loo
1665 Sicco van Grovestins
1723 mevrouw Van Haersolte-Grovestins, bewoner jhr. Van Heemstra

 

Het is niet bekent wanneer de. state is gebouwd

In 1572 wordt Douwe van Glins, geboren op Hobbema State te Dronrijp, te Groningen “met de swaerde gericht” (onthoofd) omdat hij de zijde van de Reformatie gekozen zou hebben.
Stemkohier 1640: eigenaar jonker Laes van Glins, zelf gebruiker.

In de kerk staat een ‘herenbank’ met in de bekroning de alliantiewapens Glins - Bants onder een gekroonde helm; helmteken: 3 struisveren; op een kroonlijst van deze bank de kwartierwapens Glins - Fronhoven en Bants – Wigara; helmen en helmtekens ontbreken. Deze bank werd opgericht voor Laes Idserdtsz. van Glins († 1652) en Jouwercke Siouckesdr. Bants op Hobbema State te Dronrijp.
Floreenkohier 1700: mevr. Deitsen van Roorda, wed. Humalda, gebruiker Minne Jans weduwe c.s.
Toen Jacob Stellingwerf in 1723 een tekening maakte van Hobbema State was het eigendom van Sjuck van Humalda.
Jonker Binnert Philip Æbinga van Humalda, grietman van Hennaarderadeel, woonde in 1786 op Hobbema State. Hij was goed prinsgezind en nogal invloedrijk en wist in dat jaar te voorkomen dat de patriot ds. Wiltetus Bernardus Jelgersma zijn intrede deed als predikant te Dronrijp. Toen later de in dienst plaats bevestigde dominee Paulus Matthias Kesler in 1793 ook patriottische uitspraken deed, zorgde jonker Binnert ervoor dat hij uit zijn ambt gezet en uit Friesland verbannen werd.

Hobbema State heeft van alle oude adellijke huizen in en rond Dronrijp het langste stand gehouden. De ‘Tegenwoordige Staat’ schrijft: “Weleer lagen hier verscheiden schoone Adelijke Staten; doch thans is daarvan maar alleen in haaren ouden bloei Hobbema, voorzien met eene schoone huizinge, ruimen tuin en appelhof…”. 1640 Laes van Glins
1700 Deitsen van Roorda, wed. Humalda
1723 Sjuck van Humalda
1786 Binnert Philip Æbinga van Humalda Op de plaats van de State staat een (woon)boerderij.

 

Groot-Dotinga, Het Roodhuis Voor zover bekend is de State in de 15e eeuw gebouwd. In 1529 was Aelcke van Hermana, weduwe van Lolle Heresz. van Ockinga eigenaresse van dit huis, dat ze waarschijnlijk van haar vader Hobbe Taeckesz. van Hermana had geërfd. Zij had met haar eerste man Lolle van Ockinga op Fetza State gewoond. Lolle van Ockinga was al in 1520 gestorven en ligt begraven in de kerk van Dronrijp. In 1529 liet haar tweede man Salvius van Foppinga het zwanenrecht registreren van het door hen bewoonde Foppinga State en tevens dat van Dotinga State waarvan hij verklaarde dat het eigendom was van zijn echtgenote.

Volgens E.M. van Burmania vermaakte Wytze van Cammingha in februari 1606 bij testament "Groot Dotinga" aan zijn neef Frans, zoon uit het eerste huwelijk van zijn overleden broer Sybrand met Catharina van Donia. Mocht neef Frans kinderloos overlijden dan moest het goed overgaan naar neef Jarich, zoon uit het tweede huwelijk van Sybrand met Margaritha van Botnia. Wytze was niet gehuwd en voor zover bekend is hij Rooms Katholiek gebleven. Rond 1609 is hij in Duitsland overleden.

Later in de 17e eeuw was Dotinga State de "royale buitenwoning" van Sicco van Grovestins, raadsheer aan het Hof van Friesland en in 1700 is het volgens het Floreenkohier eigendom van jkvr. Jetske Mari van Grovestins en in gebruik bij "hr. Heemstra c.s." Dat was Schelte van Heemstra. In 1722 is het eigendom van secretaris De Hertoghe die echter op het naastgelegen Schatzenburg woonde, dat hijzelf in 1698 naar zijn eigen smaak had laten bouwen.

De State bestond in 1718 nog in zijn volle glorie. Volgens Van Burmania zou het gesloopt zijn in 1742. De "Tegenwoordige Staat" vermeldt echter: "Groot Dotinga, in de wandeling ’t Roodhuis genoemd, was nog onlangs, hoewel zeer vervallen, in weezen; doch is thans, even als de voorgaande Staten" (dat zijn Foppinga, Hommema en Fetza) "meer niet dan eene boereplaats". tot 1529 Hobbe Taeckesz. van Hermana

1529 Aelcke van Hermana

tot 1609 Wytze van Cammingha

vanaf 1609 Frans van Cammingha

17e eeuw Sicco van Grovestins Op de plaats van de state staat nu een boerderij.

Over het ontstaan van de stins/State is niets bekend, maar van twee nabijgelegen terpen is bekend dat die reeds in de Romeinse tijd bewoond waren. De naam Hommema komen we voor het eerst in 1455 tegen. Hummama state, Humgemagae In 1455 komen we de naam Hommema voor de eerste keer tegen. We komen dan Feddrick Hummema tegen, die getrouwd is met Eteke Tietes Hettinga. Feddrick stelde in dat jaar zijn testament op. De familie Hommema voerde een wapen met onder andere drie eikels daarop afgebeeld.Het is niet met zekerheid vast te stellen, maar het vermoeden bestaat dat Feddrick een zoon was van Homme Homminga, getrouwd met een dochter Harinxma. Homme komen we in 1422 in de Morra onder Abbega tegen.
Feddrick wordt opgevolgd door zijn zoon Tiete Hommema, getrouwd met Katryn Foppinga, die in 1505 als edele in Menaldumadeel vermeld wordt. De (enige?) dochter van Tiete, Rints genaamd, getrouwd met Frans Minnema, sterft al in 1494 en na de dood van Tiete vererft de stins/State op kleindochter Rints Fransdr Minnema, die getrouwd is met Witze Cammingha van Cambuur. Dit echtpaar woont op de State en geeft in 1529 de zwanenjacht aan vanwege Hommema state.Het echtpaar Rints en Witze wordt opgevolgd door hun zoon Tiete Cammingha, die we in 1543 tegen komen. Na de dood van Tiete vererft de State weer in vrouwelijke lijn op zijn dochter Siouck Cammingha, die getrouwd was met de Spaansgezinde overste Jarich Liauckema van Sexbierum.Van een State is dan waarschijnlijk al geen sprake meer, deze is al vóór 1620 vervangen door of omgebouwd tot een boerderij.Siouck en Jarich wonen niet op de boerderij, maar geven deze rond 1640 in pacht aan Bauke Isbrands. In 1669 is Hector Eelkes van Glinstra de pachter en in 1700 Lolke Lolkes Hommema, die de boerderij ook koopt. Hij is de stamvader van de boerenfamilie Hommema.
Hommema ligt op de zavelrug tussen Dronrijp en Hatsum. Op de kadastrale kaart uit ca 1830 zien we dat de boerderij tussen de terp en de omgrachte huisplaats, lag.
Vermoedelijk stond de stins op de terp en de latere State binnen de omgrachting. 1640 overste Liauckama1700 Lolke Lolkes Hommema . Op de plaats van de State bevindt zich nu een boerderij

Orxma State 

Oorspronkelijk stond hier een boerderij die in 1629 gekocht werd door Ruurd van Juckema. De boerderij werd in 1642 in opdracht van Homme van Camstra vervangen door een prachtig huis met hoven grachten en singels.  In 1830 wordt de state in opdracht van Van Sminia verkocht en in 1831 afgebroken. De prachtige hoven en singels werden bouwland en grasland. Van de afbraak stenen werd een armhuis gebouwd, dit arm en werkhuis werd in 1832 gesticht, het gebouw staat er noch. Er werden later 4 eensgezinds woningen van gemaakt. Dit gebouw werd eerst gebruikt voor het stallen van de paarden en wagens.

Het wapen van de Camstra`s zit in de muur gemetseld van de huidige serviceflat Orxma State. Het wapen bestaat uit een kam en een ster en een rad die de naam moet uitbeelden. Om Orxma state ligt nog een gedeelte van de oude grachten. Een gedeelte van de serviceflat is in 2018 afgebroken. De wapen steen is door het Documentatie Centrum veiliggesteld en wacht op een nieuwe bestemming.

Bronnen Tekst: Aantekeningen van J. Leemburg

"Beschryvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt" door Chr. Schotanus (1664)

"Tegenwoordige staat van Friesland" ca. 1780

"De historie gaat door het eigen dorp" van A. Algra (1955-1960)

Website van Tresoar

"Menaldumadeel, 2000 jaar leven in een Friese grietenij" door David Hartsema (1981)

“Kroniek van het hedendaagse Friesland” van Dr. Wumkes

“Skiednis fan Menameradiel” red. O. Santema en dr. Y.N. Ypma, 1972 

Website van Menaldumdorp

 

 

Voor zover bekend is Fetza State in de 15e eeuw of al eerder gebouwd. In 1529 was Aelcke van Hermana, weduwe van Lolle Heresz. van Ockinga eigenaresse van Dotinga State, dat ze waarschijnlijk van haar vader Hobbe Taeckesz. van Hermana had geërfd. Zij had tot aan haar tweede huwelijk op Fetza State gewoond.
Lolle van Ockinga was al in 1520 gestorven en ligt begraven in de kerk van Dronrijp. Op zijn opvallende grafsteen is een ridder in vol ornaat afgebeeld. Hij was een hoofdeling, een heerschap van stand uit de 15e eeuw, maar één van de laatste van zijn soort.

Zijn zoon Watze leefde in een heel andere eeuw. De feodale vetes waren afgelopen en om je zin te krijgen moest je het met praten af kunnen. Watze studeerde daarom rechten, was een tijdje Grietman van Menaldumadeel (1540-1542) maar het grootste deel van zijn leven Raadsheer aan het Hof van Friesland (1549-1575). Hij werd ook wel “De Oude” genoemd.
Vanaf 1640 is de Fetsa State eigendom en in gebruik bij jonkheer Douwe van Ockinga, van wie de State tot zijn overlijden in 1666 eigendom blijft.

Via stamboom onderzoek is mij nu duidelijk geworden hoe de State van de familie Ockinga over is gegaan naar de familie Burmania. De informatie in het boek “Skiednis fan Menameradiel” is niet helemaal juist. Daarin wordt vermeld dat rond 1670 de State in handen komt van de overste Watze van Burmania en later van zijn weduwe. Die weduwe heette niet Fedt van Cammingha, maar Helena van Botnia.
Watze's vader Sybrant (de jongere) van Burmania had een oudere broer George, die op 10 december 1634 overleed. Hij was getrouwd met Fedt van Cammingha, die echter bij zijn overlijden al overleden was, namelijk op 8 januari van datzelfde jaar.
Echter George van Burmania en zijn vrouw Fedt van Cammingha zijn geen eigenaar van deze State geweest. Na het overlijden van Douwe van Ockinga in 1666 vererft de State via zijn oudere zus Wick van Ockinga, die trouwde met Sybrant (de jongere) van Burmania op hun zoon Watze van Burmania. Hij trouwt met Helena van Botnia en na de dood van haar man in 1691, zal ze op de State zijn blijven wonen. Het echtpaar Watze en Helena bleef kinderloos.
Na haar overlijden in 1708 vererft de State op oud-kapitein Taecke Sybrand van Burmania. Watze had een oudere broer Upcke van Burmania, die al in 1673 overleden was. Hij trouwt met Catharina van Cammingha en dit echtpaar krijgt in elk geval drie kinderen, waarvan de jongste Taecke Sybrand heet.

Taecke Sybrand van Burmania was verslingerd aan de “bullescheyt” (sterke drank) en raakte in geldnood. Misschien ook wel omgekeerd, door geldnood aan de drank. Hij verkocht op zeker moment “de magnifique alé of opreed na Fetza, bestaande uit 6 rijen vleurige yperen boomen om nooddruft voor half geld”. En dat was jammer, zo schrijft meester Roucoma verder in zijn kroniekje, want “’t was een cieraad van de Rijp en soo mooy en regulier als er een in de provincie waare”. Als zoiets voor half geld verkocht moet worden is het inderdaad erg slecht gesteld met de financiën en het ziet er naar uit dat de state langzaam aftakelde. Rond 1750 is het mooie huis met trapgevels, gracht, poort en al “gansch vervallen”. tot 1520 Lolle van Ockinga
1520 - 1529 Aelcke van Hermana (weduwe)
1529 - 1575 Watze van Ockinga (zoon)
1575 - 1624 Watze van Ockinga (zoon), getrouwd met Saepck van Burmania
1640 - 1666 Douwe van Ockinga (zoon)
1666 - 1691 Watze van Burmania (neef)
1691 - 1708 Helena van Botnia (weduwe)
1708 - Taecke Sybrand van Burmania (neef) Op de plek van de state staat nu een boerderij. 

Het huis

Schatzenburg, met rechthoekig hoofdgebouw en achtervleugel staat op een omgracht terrein. Het is omgeven door een fraai aangelegd park met landschappelijke kenmerken uit de 19de eeuw.

Het gebouw werd voor Ulrich Huber, secretaris van Gedeputeerde Staten, in 1725 gerealiseerd. Voor de bouw waren aannemer Wybe Saagmans, houtsnijder Jacob Bruinsma en steenhouwer Berend Storm verantwoordelijk. Het monumentale gebouw bestaat uit een hoog souterrain, een beletage en een hoog schilddak met uitgebouwde dakkapellen. De middenpartij bevat de toegangsdeur met bovenlicht en geblokte omlijsting. Boven de deur is een geveltop uitgebouwd met een groot raam. Deze Vlaamse gevel bevat een rijk gebeeldhouwde zandstenen bekroning met de wapens van de families Huber en De Hertoghe, waartoe zijn moeder behoorde. Het pand is zeven raamvakken breed en kreeg in 1925 een groot bordes met overkapping. In het gebouw zijn de met pilasters en stucplafond versierde zaal en het van een trap in Lodewijk XIV-stijl voorziene trappenhuis het vermelden zeker waard.

Informatie van de stichting Gasthuis Vredenhof (eigenaar van de buitenplaats):

Schatzenburg is in 1698 als zomerverblijf gebouwd op het erf van de boerderij Brantsmazate. Een jaar eerder is de tuin al aangelegd. In 1725 werd het huis fors verbouwd en uitgebreid en de boerderij ging naar de andere kant van de straat. Aan het uiterlijk van het huis is nadien weinig meer veranderd. Opdrachtgevers zijn dr. Hermannus Huber, zijn vrouw Elisabeth de Hertoghe en zijn inwonende ongetrouwde zwager Christiaan de Hertoghe. Hermannus Huber is lid van Gedeputeerde Staten van Friesland en Christiaan de Hertoghe is secretaris van prins Johan Willem Friso en later van diens weduwe Maria Louisa van Hessen-Kassel. Naar verluidt heeft zij de naam Schatzenburg bedacht. Het zou haar hebben doen denken aan een huis in de omgeving van haar geboorteplaats. 

In de 19e eeuw is Schatzenburg eigendom van een aangetrouwde neef van de Hubers, dr. Assuerus Quaestius. Hij legateert de buitenplaats in 1888 aan stichting Gasthuis Vredenhof (een hofje voor alleenwonende vrouwen) met de opdracht Schatzenburg als buitenplaats in stand te houden. Sindsdien zijn buitenplaats en gasthuis met elkaar verbonden. Het in Dronryp gelegen gasthuis is in 1745 gesticht door Agnes Alida Huber. De stichting wordt beheerd door nakomelingen van haar ouders, het echtpaar Huber-de Hertoghe, dat Schatzenburg heeft laten bouwen.

Verschillende generaties Huber bezaten het huis, onder wie de bekende patriot Johannes Lambertus, die naar Frankrijk moest uitwijken. Het verbeurd verklaarde huis kocht hij in 1813 terug. Een andere illustere bewoner was Assuerus Quaestius, een groot verzamelaar van kunstvoorwerpen. Hij vermaakte Schatzenburg in 1887 aan het gasthuis Vredenhof te Dronrijp. De gelijknamige stichting beheert nu het buiten, dat particulier wordt bewoond. De tuin

Begin 2007 is het voorterrein weer in de oude staat teruggebracht. In 1999 - 2000 is het park met 0,9 ha uitgebreid, naar een ontwerp van de tuinarchitecte Els van der Laan. De oppervlakte bedraagt nu circa 3,5 hectare. Zowel het huis als het park staat op de Rijksmonumentenlijst. In 2014 werd een oranjerie geopend. In 2018 werd een kinderspeelhuis geplaatst Openingstijden

Park te bezichtigen op Open Monumentendag (tweede weekend september).

Willem van Althuis was autodidact. Al vroeg zocht hij compensatie voor het harde materiële bestaan als straatmaker in literatuur, filosofie en tekenen. Aangemoedigd door Thom Mercuur, conservator, galeriehouder, oprichter en eerste directeur van het museum Belvédère in Oranjewoud bij Heerenveen, begon hij de geschiedenis van de moderne schilderkunst (met name Kandinsky en Klee) te bestuderen en verdiepte hij zich in de technieken van de oude Hollandse meesters. Op 37 jarige leeftijd begon hij zelf te schilderen. Uiteindelijk vond hij een eigen uitdrukkingsvorm die hem, aanvankelijk in kleine kring, maar later in bredere kring veel bewondering opleverde.

Zijn werk is op verschillende tentoonstellingen te zien geweest, zoals het Stedelijk Museum te Amsterdam, het Fries Museum te Leeuwarden, Kunstruimte Gemeente Heerenveen, Institut Néerlandais te Parijs en Museum Belvédère te Oranjewoud. Ook zijn er een aantal TV uitzendingen geweest, zoals het NOS-programma Beeldspraak: Willem van Althuis en de kleur, een film van K. Schippers en J. Severijn (1976), Openbaar Kunstbezit: Het landschap in de kunst (1986) en de Tv-uitzendingen in verband met de opening van het Museum Belvédère te Oranjewoud en de eerste tentoonstelling in dit museum van Willem van Althuis (2004-2005). Het werk van Willem van Althuis maakt ook deel uit van de vaste collectie van Museum Belvédère.

Afbeelding van Willen van Althuis als stratenmaker.

Veel van het werk van Willem van Althuis is in het bezit van particulieren, maar ook zijn er werken aangekocht door het Stedelijk Museum te Amsterdam, PTT Den Haag, de Provincie Friesland, het Fries Museum te Leeuwarden en de Gemeente Heerenveen. Kort na de oprichting van de stichting (8 juni 2005) overleed Willem van Althuis op 9 oktober 2005

 

Logement Halfweg op Eastryp 1842 – 1947. Met de aanleg van de straatweg in 1842 tussen Leeuwarden en Franeker werd halverwege het logement Halfweg gebouwd in Eastryp (Oost Dronrijp). Dit stukje Dronrijp werd toen ook wel ‘de Wouden van Menaldumadeel’ genoemd. De beplanting van de nieuwe straatweg bestond uit iepen en essen, die om en om werden geplant aan beide kanten. Het logement Halfweg was een grote uitspanning met een veranda aan de voorzijde en een grote beneden- en bovenzaal. Voor de jeugd was er een speeltuin met een vijver. Het was er meestal een drukte van belang. Op de zondagen waren er veel boeren uit de omgeving die dan ritjes maakten met de vrouw en kinderen en dan aanstaken bij Halfweg. Rondom het logement was ruim plaats voor de tilbury’s, sjezen, barouches en omnibussen. Halfweg werd ook een postherberg voor de postwagens en de diligence, waar paarden konden worden gewisseld. In 1900 kwam de tramlijn van Leeuwarden naar Harlingen gereed en die liep ten noorden van de straatweg. Dronrijp kreeg en eigen tramstation, maar de tram stopte ook voor het logement Halfweg. Rond 1900 was de beste periode voor het logement. Daarna kwam het verval. Bekende kasteleins waren Jan Bakker, Pibe Prins en als laatste Minne Westra. Zijn dochter Jannie trouwde op 21 april 1947 en dat zou de laatste bruiloft in Halfweg zijn. In de loop van dat jaar is Halfweg gesloopt. Halfweg stond op de plek van het huidige boerderijtje rechts als u de rotonde neemt naar Leeuwarden/Menaldum.

Bij beroemde of bekende Rypsters kan er gemakkelijk discussie ontstaan over de keuze die wij als makers van dit boek hebben gemaakt. Wij hebben gekozen voor Eise Eisinga, Alma Tadema en Sjirk de Wal, omdat deze personen ook nu nog tot de verbeelding spreken door daden, het planetarium van Eise Eisinga, de wereldberoemde schilderijen van Alma Tadema, of door hun vernoeming zoals de bekende kaatser Sjirk de Wal. Abe Sjoerd de Vries Abe Sjoerd de Vries uit Dronrijp won in 1933 de Elfstedentocht op de schaats. Dat De Vries niet alleen een winnaar, maar vooral ook een markant en uitzonderlijk persoon was, blijkt uit onderstaand verslag. Abe molk ’s morgens op 16 december 1933 eerst zijn koeien en fietste toen naar Leeuwarden. Omdat hij nog wat stond te praten met bekenden, miste hij de start. Vanwege zijn natuurlijke talenten schaatste hij al spoedig in de kopgroep. Hieruit was IJpe Smid al weggesprongen. Samen met Sipke Castelein uit Wartena gingen ze achter hem aan. Tijdens het schaatsen praatte Abe aan één stuk door. Boven in Friesland haalden ze IJpe Smid in, die toen al honderd kilometer alleen op kop had gereden. In Leeuwarden bij de Prinsentuin kwam Abe als eerste over de finish. Voorzitter mr. Evert Hepkema wilde Abe de krans omhangen, maar deze weigerde dat beslist. “De finish was niet te zien,” klaagde Abe. “Sipke heeft net zoveel recht op de overwinning als ik.” Het bestuur besloot na rijp beraad dan maar twee gouden medailles uit te reiken aan Abe en aan Sipke. Vervolgens stapte Abe weer op de fiets en thuis gekomen vroeg zijn vrouw hoeveelste hij was geworden. “Eerste,” zei Abe, waarop hij doorliep om zijn koeien te melken. Daarna fietste hij weer naar Leeuwarden om zijn medaille op te halen bij de prijsuitreiking in hotel Amacitia. Daar kreeg hij nog een heftige discussie met Cor Jongert, die vierde was geworden. Het ging erover welke schaatsen de beste waren voor de Elfstedentocht. Jongert had als één van de weinigen op hoge noren gereden en was op 11 minuten binnen gekomen. “Friese schaatsen zijn het beste voor deze tocht,” zei De Vries, die op Friese doorlopers over de finishlijn was gekomen.” Maar Jongert antwoordde: “De Vries wees niet zo eigenwijs. Op noren had jij nog veel harder gereden.”

De tram. De Nederlandse Tramweg Maatschappij (NTM; later ook busmaatschappij) voltooide in 1900 de tramverbinding van Leeuwarden met Franeker. De rails lagen ten noorden van de straatweg en het station Dronrijp stond op plek rechts van het huidige tankstation. In 1938 is de tramlijn al gesloten en in 1939 zijn de rails verwijderd. De lijn kon niet uit. Dronrijp had al sinds 1842 een goede verbinding met Leeuwarden door de aanleg van de straatweg. Voor die tijd liep de weg van Dronrijp naar Leeuwarden via Menaldum naar Beetgumermolen en dan via de oude zeedijk naar Marssum en Leeuwarden. Een kortere weg was via de trekweg naar Deinum en dan naar Leeuwarden. De trein. De spoorlijn van Leeuwarden naar Harlingen, via Deinum, Dronrijp en Franeker, was gereed in 1863. De lijn maakte onderdeel uit van de verbinding Harlingen, via Leeuwarden en Groningen, naar Nieuweschans en Duitsland. De gehele lijn was gereed in 1876. Het station Dronrijp, eveneens gereed in 1863, ligt anderhalve kilometer buiten het dorp. De oorzaak hiervan is dat de spoorlijn in een zo recht mogelijke lijn werd gelegd en aan de zuidkant van het van Harinxmakanaal. Het station is een vrij hoog gebouw met een kruisdak van het type SS vijfde klasse, waarvan er 36 zijn gebouwd en er nu nog 9 over zijn. Waarschijnlijk zijn er in Nederland nog plaatsen waar dit type staat. Architect was de heer Brederode. Na de opening bleek het station al snel te klein en kreeg eerst een linkervleugel en 30 jaar later een rechtervleugel. In 1895 komt er een losspoor voor het laden van landbouwproducten en bij het station komt een stations-koffiehuis. In 1973 is het stationsgebouw gesloopt.

Door de toenemende bevolkingsgroei werden in de vroege Middeleeuwen vanuit het Noorden de Zuidelijker gelegen veengebieden ontgonnen voor landbouw. Zo ontstonden rond 1100 de dorpen Ypecolsga en Indyk.

Door inklinking en oxidatie daalde de veenbodem waardoor het bouwland regelmatig onder water kwam te staan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat boeren hun bedrijf verplaatsten naar de hoger gelegen zandrug langs de Ee, die ontstaan was tijdens de laatste ijstijd. Rond het jaar 1200 is toen het dorp Woudsend ontstaan.

Door de zeer gunstige ligging aan de Ee, het toegangswater vanaf de Zuiderzee naar midden Friesland, ontstonden er naast de agrarische activiteiten ook visserij en handel. Woudsend wordt voor het eerst in de geschiedschrijving genoemd in het jaar 1337. Er werd in dat jaar een klooster van de orde van de Karmelieten gesticht, met (volgens oude kaarten) de naam “Jerusalem”. Het doel van het klooster was praktische zielzorg en onderwijs, niet alleen voor het kleine dorp Woudsend. Door de gunstige ligging konden de Karmelieten een groot deel van Zuid-Friesland bedienen. Het was een klein klooster met een 20-tal geestelijken, toegewijd aan de maagd Maria en aartsengel St. Michaël. Met de bouw van de kloosterkerk is tevens de parochie van Woudsend ontstaan.

De kloosterlingen hebben het niet gemakkelijk gehad.  In de 15e eeuw had men veel last van de burgeroorlog. De machtsstrijd tussen de steden, hoofdelingen en families zorgde ook in de omgeving van Woudsend voor plundering, brandstichting en moord. Het geweld ging door in de 16e eeuw.
In 1523 werd naast het klooster een bolwerk gebouwd, om de stroperijen van schepen door Gelderse krijgslieden een halt toe te roepen. In 1572 bezetten de Watergeuzen het klooster in de strijd tegen de Spanjaarden. Maar toen was er al niet veel meer van het klooster over. De reformatie in 1580 betekende het officiële einde van het klooster en daardoor vielen alle bezittingen aan de staat.
Uit de “staat van goederen” blijkt dat alleen de prior er nog verbleef, als een “gebroken” man. Het klooster was een ruïne, de kerk was oud en vervallen. Verder bezat het klooster nog twee schamele woninkjes en een windmolen. De prior heeft nog tot 1593 in het klooster gewoond, waarna het werd afgebroken.

De protestanten hielden hun kerkdienst tot 1660 in de oude kloosterkerk. In dat jaar is er een nieuwe kerk gebouwd, die al na 177 jaar door de slechte bouwstaat moest worden afgebroken. In 1837 is op dezelfde locatie de huidige NH kerk gebouwd, die nu de naam “De Karmel” draagt. Het oorspronkelijke klooster blijft door deze naamgeving in de herinnering voortbestaan. Het enige tastbare dat aan het klooster herinnert is een rode zandsteen, die daar in 1916 is opgegraven. Op de voorkant is een Petrusfiguur afgebeeld, met in zijn linkerhand het evangelie en in de rechterhand een sleutel. De achterkant is van slechtere kwaliteit en draagt een voorstelling van Maria met het kindeke Jezus. De steen is destijds geschonken aan het Fries Museum.

Bron: Gedenkboek in 1937 uitgegeven bij het 600-jarig bestaan van de Parochie van Sint Michael te Woudsend.     

DORPSWAPEN EN -VLAG VAN MENALDUM

Met het opheffen van de gemeente Menaldumadeel in 2018, verdween niet alleen het gemeentehuis uit Menaldum, maar ook het gemeentewapen werd bijgezet in de archieven van de staat. Dit gemeentewapen echter bevatte een voor Friesland uniek stuk: de liggende en omziende eenhoorn. Om de eenhoorn voor Menaldum te bewaren stelde de Fryske Rie foar Heraldyk voor aan Plaatselijk Belang Menaldum, om in een nieuw dorpswapen en -vlag de eenhoorn terug te brengen naar zijn oorsprong.

 

Bijzonder is, dat de eenhoorn een in deze positie een evenknie heeft in het Lam Gods in het dorpswapen van Berlikum. Dit Lam ligt in de dakgoot van een kerkgebouw en ziet, evenals de eenhoorn, om. Twee wapens en vlaggen, die een beeld dragen dat aan elkaar gelijk is. Beiden zijn een beeld van Christus. In het wapen van Berlikum is dat duidelijker dan in het Menaldumadeelse wapen. Want het Lam draagt een kruisvlag.

In het ontwerp dorpswapen Menaldum zien we de liggende en omziende eenhoorn in de bovenste helft van  het schild.  

 

 

Net als in het voormalige gemeentewapen in blauw. De deling van het schild laat ons kantelen zien. Deze zijn een herinnering aan de versterkte huizen (stinzen en states) die in en rondom Menaldum hebben gestaan. In de Historie gaat door het eigen dorp door de heer A. Algra staan ze op een rijtje genoemd: Orxma, Gralda, Jukema, Donia, Galama, Hemmema en Martena.

Het gemeentewapen van Menaldumadeel is in 1938 gewijzigd. Het wapen van 1818 toonde ons een rode liggende eenhoorn met groene hoorn in een zilveren schild, vergezeld van twee groene kiavers en een blauwe ruit. De kiavers zijn in het nieuwere gemeentewapen veranderd in een St. Jacobsschelp en een eikel, beide van goud en de blauwe ruit is van zilver geworden. Als herinnering aan dat oude wapen zijn in het dorpswapen de twee groene kiavers teruggekomen. Deze geven de agrarische sector van het dorp weer. De rode ster in de schildvoet wil het oude bestuurscentrum van Menaldumadeel in herinnering brengen en houden. Deze ster is de zgn. Leidster. Menaldum het leidende dorp in de gemeente.

De vlag toont ons de liggende eenhoorn in blauw net zoals in de gemeentevlag. Deze vlag is verticaal gedeeld en de dorpsvlag bezit een gekanteelde horizontale deling in de kleuren van het schild: blauw en goud/geel. 

 

Feintsje fan Menaem

 

Op zijn oude fiets door bos en open veld, al zwaaiend naar de meisjes de wijde wereld in. Wie Menaam zegt, krijgt direct te horen, “Oh ja, It Feintsje fan Menaem”.Twee bekende Friese schrijvers, een trouwerij en een Duits volksmelodietje waren destijds de ingrediënten voor het bekende Menamer liedje.

Het was de Friese schrijver en verhalen verzamelaar Ype Poortinga (1910-1985) die in 1940 in Menaam kwam wonen.

 

 

Hier ontmoete hij zijn toekomstige vrouw Rinske Wiersma. In 1943 trouwde hij met haar. Speciaal voor deze bruiloft had collega dichter en politicus Fedde Schurer (1898 – 1968) een liedje voor zijn collega Ype geschreven. Op de melodie van het Duitse volksliedje “Der Jäger aus Kurpfalz” schreef Fedde de tekst “In feintsje út Menaam, dy jaget troch it griene wâld”. En zo is het Feintsje fan Menaem voor eeuwig met Menaam verbonden. Japke Tichelaar-Berkenpas (1929-2017) was destijds aanwezig op de bruiloft en vertelde hier vaak over. Het liedje werd sindsdien overal bekend. Maar het bleef vooral bij de tekst op een vrolijke melodie.

 

Het was de Menamer Timen Dijkstra die eigenlijk vond dat ieder dorp of stad wel recht heeft op een eigen standbeeld. Groningen heeft zijn paard, Assen zijn Bartje en in Harlingen zit een jongen met zijn vinger in de dijk. En Menaam? Tijd voor actie dacht Timen.

In het dorpsboekje “Menaem yn’t Ljocht” waarvan Timen in die tijd redacteur was, zette hij zijn plan op papier. Met financiële zaken heeft Timen niets en hij wist dat het nodige geld op het kleed moest komen. Er waren in die tijd al zoveel acties in het dorp geweest. Timen en zijn dorpsgenoten hadden al een mooie plaats in gedachten. Bij “De Weme” tussen de rozen of midden in het dorp voor het gebouw van gemeentewerken. “In idee is samar klear” zei Timen, “Mar as der jild komme moat, dan begjinne de problemen”. Dus hoopte hij op steun uit het dorp. En die kwam er. Een commissie ging bezig om het idee uit te werken.

Namens de commissie plaatselijke aangelegenheden was het Jan Bakker die de klus oppakte. Inzamelacties, de financiële thermometer met de actuele stand van zaken en het aanschrijven van diverse fondsen en beeldhouwers. Het bronzen beeld op stenen sokkel zal worden gemaakt door mevrouw Suze C. Boschma-Berkhout (1922 – 1997) uit Leeuwarden. Het complete beeld zou fl 7475,- gaan kosten. De Menamer bevolking wist fl 2486,50 in te zamelen. Met de gemeentelijke bijdrage en diverse fondsen stond de fl-teller op 21 april 1971 op fl 6986,50 Een negatief saldo van fl 463,50 dat alsnog moest worden ingezameld.

Op 26 april schreef de heer Jan Bakker namens de commissie de definitieve bevestiging. Op 15 mei, tijdens de traditionele President J.F. Kennedy wandeltocht, zal het beeld officieel onthuld worden door weduwe W. Schurer – de Vries uit Heerenveen, gevolgd door het wandeldefilé van de Kennedytocht.

Sinds die tijd staat het Menaemer Feintsje aan de Dijksterbuorren in Menaam. Al die tijd is het Feintsje slechts één maal echt op stap geweest. Rond de jaarwisseling 2001/2002 was hij even te fietsen. Gelukkig zou hij snel weer terug zijn. De oudejaarsploeg Bjusterbaarlike Klaaikluten uit Hallum hadden hem tijdelijk geadopteerd, dit tot grote ongerustheid van vele Menamers.

It feintsje fan Menaam

In feintsje út Menaam, dy jaget troch it griene wâld,

hy wiuwt tsjin elk jongfaam yn hiel de wide wrâld.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Myn ryk-rak fyts fan stâl! Ik ryd him troch de hikkedaam

en set ek fuort fan wâl, ast feintsje fan Menaam.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Men sjocht my thús net wer, sa lang myn wrakke bân it hâld,

Ik swalkje her en der oer hiel de wide wrâld.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Sjoch ik in bliere faam, ik ryd der net mei feart bylâns

as 't feintsje fan Menaam, mar 'k gryp myn goede kâns.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

Jou ús in lytse klint, in hoekje bou, in geit dêrta,

Al ha 'k gjin reade sint, hoe skoan sill' wy 't dêr ha.

No ja, no ja! Want sin en wille is mear as jild yn bosk en iepen fjild,

yn bosk en iepen fjild.

 

Het van Beymahuis in Dronrijp.

Op de Nieuwe Streek (nu de Brêgebuorren) stond in 1786 een prachtig huis met een rijke barokke Vlaamse gevel. Het huis was voorzien van natuurstenen versieringen en had aan weerszijden trapgevels. In de volksmond heette het huis wel het Van Beymaslot, naar de laatste eigenaren. Het is niet bekend wanneer het huis is gebouwd en ook niet hoe de indeling er uit zag. De enige oude afbeelding is een kopergravure uit 1786, getekend door Jan Bulthuis en in koper gegraveerd door Karel Fredrik Bendorp. De Harlinger Trekvaart van Leeuwarden naar Harlingen werd gegraven tussen 1507 en 1509. De Hoornbrug zorgde voor de verbinding tussen beide oevers en in de omgeving hiervan ontstond met bebouwing de Bruggebuurt. Het pad langs de zuidkant kreeg eerst de naam Nieuwe Streek. Uit hedendaags onderzoek door Coert van Beyma lijkt het zeer waarschijnlijk dat het huis op de gravure eerst als kleiner huis zonder trapgevels aan de zijkant is gebouwd. Uit de aantekeningen van schoolmeester Hoyte Schoffels Roucoma (1690 – 1718) over alles van Dronrijp wat hem belangrijk leek, valt die conclusie te trekken. Waarschijnlijk is de tekening uit 1722 van Jacobus Stellingwerf de voorloper van het Van Beymahuis. De tekst onder deze tekening blijkt dan niet te kloppen. Het huis had nogal wat eigenaren gehad voordat het op 27 april 1817 in bezit kwam van Mr. Coert Lambertus van Beyma thoe Kingma, wonende te Harlingen. Zijn huis stond in Dronrijp direct aan de trekvaart en hij kon zo gemakkelijk per boot naar Leeuwarden en Harlingen. Er was toen nog geen straatweg tussen Leeuwarden en Harlingen (aangelegd in 1842) en geen spoorlijn (aangelegd in 1863). In 1810 kocht Van Beyma Dekemastate te Weidum van Mr. Johannes Lambertus Huber, een andere bekende patriot uit Dronrijp. Hij woonde daar maar kort met zijn vrouw, zij overleed enkele maanden later. Coert van Beyma overleed op 7 september 1820. Hij liet twee zonen na. Julius Matthijs van Beyma erfde de buitenplaats Kingmastate te Zweins en Petrus Johannes Dekemastate te Weidum. Zij besloten het huis in Dronrijp te verkopen. Op het veilingbiljet werden huis en tuin beschreven: Een royale Heeren Huizinge, met ruime stalling en koetshuis, staande aan de Trekvaart en Rijdweg te Dronrijp, waar in onderscheidende groote en kleine alle modern behangen en meerendeeld geplafoneerde Beneden en Bovenkamers, zeer grote keuken, voorzien van alle gerieflijkheden, voorts een groote fraai aangelegde Tuin, voorzien van Broeijerij en veele extra schoone jonge Vruchtdragende en andere boomen, daar naast een Huizing, zeer geschikt en thans gebruikt wordende voor een Tuinmanswoning, alles zodanig als door wijlen den heer en Mr C.L. van Beijma thoe Kingma is bewoond geweest.

De verkoop mislukte omdat er niet genoeg geboden werd. Zij zochten een huurder en dit lukte tot 1830. Toen deden ze opnieuw een poging om het huis te verkopen. Echter Petrus Johannes van Beyma kwam te overlijden en een paar jaar later was Jonkheer mr. Coert Lambertus van Beyma, de oudste zoon van Petrus Johannes, de eigenaar-bewoner. De grote tuin achter het huis. Op de kadastrale kaarten van 1832 en 1887 zien we dat naast het huis een koetsierswoning staat en daarachter het koetshuis met stal. Alles is aaneen gebouwd. Het erf komt uit op het pad langs de opvaart, nu Molepôlle. Bij de uitgang van dit pad staan twee hekpalen ( homeien) met daarop twee liggende natuurstenen leeuwen; nu te bewonderen bij de ingang van Drenningahof aan de Hearewei. De tuin heeft een landschappelijke aanleg begrensd door de boomgaard en de woning van bakker Corneleis Luitjens Wassenaar en de boomgaard van arbeider Tjebbe Sybrens Hanja. De weduwe van Tsjebbe verkoopt aan van Beyma in 1842 een stuk grond tussen Gasthuis Vredenhof en haar schapenstal aan de Dubbele Streek. Van Beyma maakt daar dan een pad met achteringang voor zijn tuin. Ook koopt hij haar boomgaard. Later koopt hij ook de woning van bakker Wassenaar. Hij laat die slopen en er een tuinmanswoning bouwen. In 1878 plaats smid Sibolt W. de Boer voor rekening van Van Beyma en Gasthuis Vredenhof een ijzeren hek aan de Dubbele Streek. Het pad naar de tuin van Van Beyma wordt in 1995 gewijzigd in de huidige rozentuin vanwege het 250-jarig bestaan van Gasthuis Vredenhof. Verkoop van het hoofdhuis, de bijgebouwen en de tuin. In 1881 vertrok Coert van Beyma met zijn gezin naar Leeuwarden en werd het huis overbodig. het geheel werd in 1892 geveild, waarbij het totale bezit in delen werd aangeboden. Het hoofdhuis, de koetsierswoning met het koetshuis en de stal werden voor f 2.333,- verkocht aan een timmerman en handelaar uit Leeuwarden. Het was de kopers te doen om alle bouwonderdelen en ze dan slopen dan alles ook meteen. Het terrein waarop het huis stond wordt voor f 850,- verkocht en hier wordt in 1894/1895 de eerste gereformeerde kerk gebouwd. Deze wordt in 1908 al weer afgebroken, omdat de nieuwe kerk met school en woonhuis aan de Hearewei dan al in gebruik is. De koetsierswoning en het achterliggende koetshuis bestaan nog steeds als Brêgebuorren nr. 5/5a. De mooie romantische 19e eeuwse tuin verdwijnt tevens. In 1894 worden de houtopslag en de iepen en eiken verkocht. Later dat jaar wordt de tuin in delen geveild. Hiermee komt een eind aan een bijzonder cultuur-historisch pand met een bijzondere tuin. Aan de Brêgebuorren geeft een stenen muur naast het oude koetshuis de plek aan van het voormalige Van Beymahuis. Aan de achterzijde is nog te zien hoe groot het complex met tuinen is geweest.

Bij beroemde of bekende Rypsters kan er gemakkelijk discussie ontstaan over de keuze die wij als makers van dit boek hebben gemaakt. Wij hebben gekozen voor Eise Eisinga, Alma Tadema en Sjirk de Wal, omdat deze personen ook nu nog tot de verbeelding spreken door daden, het planetarium van Eise Eisinga, de wereldberoemde schilderijen van Alma Tadema, of door hun vernoeming zoals de bekende kaatser Sjirk de Wal. Sjirk de Wal

Sjirk de Wal werd op 8 januari 1852 in Jelsum geboren. Toen hij vier jaar was, verhuisde het gezin naar Dronrijp. Zijn vader was landarbeider en toen Sjirk van de lagere school kwam werd hij dat ook. Sjirk bleek op zijn achttiende al een uitstekende kaatser, waar in kaatserskringen lovend over hem werd gesproken. Toen hij 43 jaar was, had hij al 176 prijzen gewonnen, waaronder zeven keer de P.C. In 1885 werd hij daar ook koning. Sjirk was een ‘broodkaatser’ die in het kaatsseizoen van kermis naar kermis reisde. Hij bleek zo goed, dat hij bij sommige wedstrijden werd buitengesloten of niet met een eigen partuur mocht spelen.

Helaas zijn er niet veel beschrijvingen van de winstpartijen van Sjirk de Wal. In 1879 trouwt hij met Gooitsche van der Vlugt en zij krijgen 3 zonen, die helaas niet uitblonken in het kaatsen. Op jonge leeftijd vertrokken ze al naar Duitsland om te gaan werken en te gaan wonen. In 1899 volgde Sjirk zijn zonen naar Duitsland en ging wonen in Essen aan de Ruhr. Daar overleed hij op 57-jarige leeftijd.

Toen in 1893 in Dronrijp een kaatsvereniging werd opgericht, waren ze snel klaar met het bedenken van een naam. In 1901 was de Bondspartij in Dronrijp en Sjirk de Wal werd hiervoor als erelid uitgenodigd. Op het station Op Hatsum stond het muziekkorps bij aankomst te spelen en stond het bestuur klaar met het nieuwe vaandel. Zijn naam is later ook verbonden aan de huidige Vereniging voor Volksvermaak.

Vereniging voor Volksvermaak.

Op 17 januari 1868 is door toenmalige dorpsgenoten een ‘Vereeniging voor Volksvermaken’ opgericht. Deze vereniging organiseerde dat jaar voor het eerst een kermis, een kaatspartij op de zondag en een harddraverij op de maandag met aansluitend een muziek- en zangavond. Ook werd vastgelegd dat de vereniging ’s winters hardrijden op de schaats zou organiseren. Inde beginjaren was deze vereniging voor de beter gesitueerden. Na kritiek hierop werd een derde kermisdag georganiseerd met volksspelen. Bijzondere activiteiten, naast kuipjesteken, ringrijden in de kruiwagen, zaklopen, optochten, waren het ‘vélocipède-rijden’ (fietsen op een fiets met een groot voorwiel en een klein achterwiel) en ‘windhondenrennen’. De Vereniging voor Volksvermaak hield zich ook bezig met het realiseren van een ijsbaan en het oprichten van de gymnastiekvereniging O.D.A.

Kaatsvereniging Sjirk de Wal.

Wanneer de kaatsvereniging in Dronrijp is ontstaan, is niet met zekerheid te bepalen. De oudste notulen zijn uit 1903. Wel staan in de Leeuwarder Courant uit 1839 advertenties over een kaatspartij. In 1918 is ter ere van het 25 jarig bestaan een jubileum kaatspartij uitgeschreven. Hieruit kunnen we concluderen dat de kaatsvereniging in 1893 werd opgericht en de naam Sjirk de Wal zou gaan dragen, naar de beroemde kaatser uit Dronrijp.

De meeste kaatspartijen in die tijd werden uitgeschreven door kasteleins. In de advertentie hierboven was dat L.A. van der Meer van het Wapen van Dronrijp in de Kerkebuurt (nu Tsjerkebuorren). Er werd gekaatst op de terp, die toen nog even hoog was als het kerkhof. De terp is in 1876 afgegraven om onder meer de Haven mee te dempen.

Op het plein, ontstaan na de afgraving, werd bij het kaatsen in 1901 het onderstaande veld gelegd van ongeveer 30 bij 60 meter, met daarop 3 perken. Op de tekening is goed te zien dat de ringmuur rondom het kerkhof een buitenlijn was. Van Sjirk de Wal is bekend dat hij de ballen met effect langs de muur sloeg, zodat ze nauwelijks terug te slaan waren. Volgens overlevering is opslager Johannes Anema eens uit de gang van het geboortehuis van Eise Eisinga gekomen omdat hij voor de aanloop nogal wat meters nodig had.

Het kaatsveld op de Tsjerkebuorren bleek later toch niet optimaal. Er werd gezocht naar een betere locatie. Dit werd de Terp, achter de openbare school. In 1920 richtte de gemeente Menaldumadeel een nieuw sportterrein in. Hier kon ook worden gekaatst, maar het werd door publiek en kaatsers als ongezellig ervaren. Het kaatsen keerde na een jaar dan ook alweer terug naar de Terp. Tegenwoordig ligt er een prachtig kaatsveld tegenover de multifunctionele accommodatie en bibliotheek ‘d Ald Skoalle aan de Hobbemasingel.

Vereniging voor Volksvermaak Sjirk de Wal.

Twee verenigingen in Dronrijp die zich met het kaatsen bezig hielden bleek toch wat teveel van het goede. De kaatsbond probeerde al vanaf 1920 om tot één vereniging te komen. In 1933 leek het dan toch te gaan lukken, maar de gecombineerde bestuursvergadering op 7 mei 1933 ontaardde in een ordinaire chaos, omdat leden van beide verenigingen een fusie niet zagen zitten. Op 19 april 1947 werd de fusie een feit met de ‘Vereniging voor Volksvermaak Sjirk de Wal’. Een traditie uit 1868 en 1893 heeft geresulteerd in al 150 jaar prachtige activiteiten voor Dronrijp/Dronryp.

Een voorlopig kijkje op de historie van de Flecke Joure er komen nog aanvullingen. 

Oud-Joure

Westermeer is dus het moederdorp van Joure ( De Flecke Jouwer).

Westermeer werd op religieus gebied zo rond 1200 door het Haskerconvent verzorgd in eerste instantie door de kluizenaar Dodo van Haska later door zijn volgelingen.Dodo was een vrome man van Friese afkomst. Aanvankelijk was hij getrouwd, maar na verloop van tijd besloot hij in te treden bij de Norbertijnen van klooster Mariëngaarde (Duitsland). En zijn vrouw bij de Norbertines in het klooster Bethlehem (nabij Bartlehiem).

Woonwijk Westermeer is dus het oudste gedeelte van Joure want Joure groeide sneller dan het moederdorp en dat leidde ertoe dat Joure Westermeer in 1954 inlijfde.

Joure ontstond op een kruispunt van waterwegen en karresporen/wandelpaden zo rond eind 14de eeuw bij wat nu de Tolhuisbrug is. Vroeger was hier een spuisluis omdat de wateren rond Joure invloed ondervonden van de getijden van de Zuiderzee. 

Deze sluis werd rond 1885 verplaatst (nieuwbouw) richting Noorder Oudeweg een vaarverbinding tussen Langweerder Wielen en Sneekermeer.

De beurtschepen voeren af en aan richting Sneek, Lemmer, Amsterdam en Harlingen. De grotere vrachtschepen onderhielden routes naar Scandinavië, Estland/ Litauwen, en Rusland (St. Petersburg graanhandel Cath). Het graanpakhuis op 't Zijl is hier nog het zichtbaar. Na de Russische Revolutie in 1917 waren de aandelen van P.J. Cath niets meer waard. Tot 1917 bouwde Cath diverse grote huizen in de huidige winkelstraat.

Inwoners uit Joure worden "Jouster Keallepoaten" genoemd. In de Germaanse tijd bracht men in deze regio koekoffers in de vorm van een kalverpoot zodoende is deze bijnaam ontstaan voor de Jousters.

In de gevel bij het Tolhuis zit gevelsteen die vertelt dat het overnachten goed was. Deze gevelsteen dateert uit de 15de eeuw. In het midden een korenschoof, die zegt ons dat er vruchtebare akkergrond in deze grietenij was. Rondom zitten er 6 gesteelde eikels, deze stellen de 6 kerkdorpen voor; Haskerdijken, Nijehaske, Oudehaske, Haskerhorne, Westermeer en Snikzwaag. Joure was een uitbuurt en hoorde destijds bij Westermeer.

De huidige winkelstraat (Midstraat) is een waterkering die deels op een uitloper van het zand van Gaasterland ligt. De woningen destijds waren dus dijkwoningen. Tot 1960 was het winkelapparaat voornamelijk gevestigd  rondom de Kolk, 't Zand en Torenstraat. Pas in de jaren 60 van de 20ste eeuw verhuisden de winkels geleidelijk aan richting de Midstraat het was mode om grote etalages te hebben en die hadden de kleine winkels op 't Zand en Torenstraat niet. De oude winkels werden de nieuwe woningen voor de burgerij.

De onderpuien van de woningen van de Midstraat zijn ervoor weg gesloopt voor nieuwe grote etalages. 

Langetijd dacht men dat die naam Joure kwam van het Friese woord hjouwer dat haver betekend. Tevens was er een vlag die de schippers voeren op hun schepen met 3 korenaren erop. De naam Joure komt uiteindelijk uit het Germaanse Ghebara. Hier zit het Duitse woord "gebel" in dat in deze context puntig betekend. Joure was een punt in het moerassige gebied waar men kon wonen en leven.

Joure ontstond als uitbuurt van Westermeer op een kruizing van waterwegen en paden. Veel werd er gereisd via het water tot ook de wegen verbeterden en mensen meer begonnen te reizen al dan niet aan werk gerelateerd.

Met de vele eikenbossen in de omgeving konden meubels en andere zaken gemaakt worden. Eind 18de en de gehele 19de eeuw werden hier veel klokken gemaakt. De bloeitijd was zo rond 1850 tot dat de koekoekklok zijn intrede deed.

Bij de huidige Tolhuisbrug en toenmalig logement Het Tolhuys ontstond nieuwe bebouwing.

Wie Joure zegt, zegt ook Douwe Egberts koffie en thee.

Halverwege de 18de eeuw kwam ook Douwe Egberts naar Joure die zijn roots had in Idskenhuizen een dorpje ten westen van Sint Nicolaasga. Deze had grootse plannen en dat bracht uiteindelijk het grote concern dat gelegen ligt tussen de Slachtedijk en de Leeuwarderstraatweg. Het bedrijf starte in de huidige Wereldwinkel aan de Midstraat en verhuisde in 1871 naar de Witte Os en Pand 99.In 1898 bouwde C.J. de Jong een nieuwe fabriek achter het pand 99 enkele jaren later was dat alweer te klein. In 1913 kocht het bedrijf een zuivelfabriek De Vlecke aan de Slachtedijk dat toen kadastraal viel onder Snikzwaag.De groei ging door en aan de overkant van de Slachtedijk werd het huidige complex opgebouwd. De oude zuivelfabriek staat bekend onder FJ1 en is een industrieel erfgoed dat valt onder een stichting 't Kofschip, dat industrieel erfgoed wil bewaren, mede opgericht werd door 2 verre nazaten van DE, Hessel Douwe de Jong en Egbert Douwe de Jong.

De tabakspoot is na de overname van het Amerikaanse SARA LEE Corp. dat onder toenemende druk (claims) de tabakspoot in 1998 overdoet aan het Engelse Imperial Tobacco. Sinds die tijd staat er een scheidingshek op het erf en is buurten niet mogelijk. In het verleden werden de koffie/theebonnen en tabaksbonnen voor het personeel onderling geruild om vervolgens te verzilveren in de personeelswinkel.

Jouster Toer

De marker van Joure is wel de impossante Jouster Toer oftewel de Hobbe van Baerdt kerk. Na de proclamatie van Luther in 1517 in Wittenberg werd Nederland protestants. De Rooms Katholieke eigendommen werden geannexeerd zo ook in Joure. De R.K. kerk was een kapel met een gasthuis welke vlak bij de ingang van het park Heremastate stond. De stadhouder rennenberg beviel de grietman om die te slopen om de state in het park beter te kunnen beschermen de kapel met gasthuis zou een goede verdediging bemoeilijken. De verhoudingen tussen de katholieken en protestanten werd hierdoor verscherpt. De vader van Hobbe van Baerdt wilde wel een nieuwe kerk bouwen maar door zijn plotselinge overlijden in 1615 werd dit doorgeschoven naar zijn zoon Hobbe. "Aan het eind van de Midstraat bouw ik een nieuwe kerk niet eentje van hout maar van steen, stevig en een sieraad voor Joure". De eerste steen werd gelegd op 8 augustus 1628 voor de toren. In 1644 volgde het kerkgebouw.

Nu bijna 400 jaar later staat het monument er nog in volle rijkdom en glorie. In de toren zitten nog 2 cachotten waarvan 1 met de prachtige naam 't Hûnegat en een rechtkamer. 't Hûnegat dankt zijn naam aan het volgende: Bij slecht weer werden de weekmarkten wel in de kerk gehouden. De standhouders hadden karren met behulp van honden voortgetrokken. Die honden zorgden voor overlast, de koster nam de honden mee naar het cachot en borg die gedurende de tijd van de markt de honden hier op.

In 1975 moest er een forse restauratie plaats vinden vanwege houtworm en de grote  bonte knaagkever (bûnte kjifkrobbe). Hierbij is een groot deel van het plafond van de rechtkamer vernield door deze dieren en moest vervangen worden. Een plafondschildering is hierbij verdwenen. In 2018 is er door amateurhistoricus Arjen de Ree een opdracht tot herstel aan de begenadigde kunst-en restauratieschilder Benno Pen gegeven. D.m.v. crowd-funding is het toenmalige plafondschilderij op een paneel gezet en opgehangen aan de schouw in de rechtkamer. Het schilderij was destijds in 1751 in opdracht van de grietman  Schelte Hessel Roorda van Eysinga door de huisschilder Luitjen Jacobs van der Werf uit Groningen. De voorstelling is religieus met Maria die kindeke Jesus de borst geeft onder toezicht van haar Elisabeth en Johannes de Dooper en in de coulissen Zacharias de man van Elisabeth met op de voorgrond een lam. De meeste grietmannen waren protestant echter Schelte Hessel Roorda van Eysinga had als adel nog katholieke roots en dat verklaart dit tafereel in de oude rechtkamer.

Rechtkamers

Er zijn meerdere rechtkamers in Joure geweest, vanuit de toren gezien richting het westen. Wat nu sporthuis Glas is was ooit een rechthuis, tengevolge van een storm eind 18de eeuw waaide de voorgevel eruit en beschadigde het pand ernaast de huidige groentewinkel de Cranberry. Er werd toen een nieuw pand betrokken aan de huidige Appelwyk en later weer aan in het huidige  revalidatiecentrum de Flecke aan de Midstraat. Met o.a. de gevelsteen van vrouwe Justitia werd de voorgevel gerestaureerd bij de Cranberry. De vrouwe Justitia heeft geen blinddoek voor. Kunstenaars hadden zo hun bedenkingen over de onpartijdigheid van de Grietman. 

Andere bedrijvigheid

Vele beroepen werden in Joure uitgevoerd. Als je het lijstje alleen al ziet van rond 1800. 

Bakkers, groente- en melkboeren, slagers, leerlooiers, kopergieters, kuipers, meubelmakers, klokkenmakers, grutters, touwslagers, (scheeps) timmerlieden, zeilmakers, schilders, potten- en pannenbakkers, wolkammers, turfstekers en brandstofhandelaren, stuwadoors, mosterdmakers, koffiebranders, tabaksorteerders, linnenwevers, schoenmakers, kappers, werklieden kalkovens, metselaars, kleermakers, tuinders, bierbrouwers, garentwijnders, smid, etc. Al deze beroepen kwamen meerdere keren voor in 1 woonstraat.

Tegenwoordig zijn de kuipers, leerlooiers, stuwadoors, mostermakers, wolkammers, werklieden kalkovens, smid en de garentwijnders verdwenen uit het straatbeeld. Maar er zijn nieuwe innovaties en bedrijvigheid voor in de plaats gekomen. 

Ballonvaarders, kunststof bekabelingsbedrijf, ICT bedrijven, nieuwe koffiebranders, plasmasnijders om maar een paar te benoemen.

Dit venster is nog niet compleet maar geeft een kleine indruk! Under construction!

Sinds 1996 staat in Sumar, vlak bij de basisschool, het herdenkingsmonument De Molkbus. Op het gedenkteken staat de volgende tekst te lezen: Dit tinkteken is oprjochte nei oanlieding fan: de molkestaking april/maaie 1943 As oantinken oan har dy’t omkommen binne yn’e striid foar frijheid en rjocht.

"Dat wy rjocht en frijheid hoedzje"


Als de Duitse bezetter in de eerste oorlogsjaren met allerlei dwingende maatregelen steeds meer druk op de Nederlandse en Friese bevolking begint uit te oefenen, ontstaat er langzamerhand verzet. Er ontstaan verzetsorganisaties en ook het "gewone" volk komt meer en meer in verzet. Dat komt o.a. tot uiting als eind april 1943 voormalige Nederlandse militairen in krijgsgevangenschap naar Duitsland worden weggevoerd, waarna in Friesland de "molkestaking" uitbreekt.
De boeren leveren geen melk meer aan de zuivelfabrieken. Ook Sumarder boeren doen mee.

Op 2 mei dreigt de bezetter met ter dood veroordeling als de stakers blijven weigeren melk te leveren. De burgemeesters krijgen opdracht aan te dringen op beëindiging van de staking. Vanaf 3 mei wordt er weer melk geleverd, maar nog niet door Freerk Wijma uit Sumar.

Als op 4 mei, bij een confrontatie met de Ordnungspolizei, Wijma zich blijft verzetten, wordt hij op zijn eigen erf neergeschoten (zie venster Freerk Wijma). De herdenking van 50 jaar bevrijding in 1995 is in Sumar de aanleiding voor een uitgebreid feestprogramma. Onderdeel hiervan is een initiatief van de beide basisscholen tot het oprichten van een herdenkingsmonument voor de "Molkestaking". Dit initiatief is door de Vereniging van Dorpsbelangen overgenomen en heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat op 4 mei 1996 "De Molkbus" is onthuld. "De Molkbu" is een markant punt in het dorp geworden.

Op 4 mei vindt hier de jaarlijkse dodenherdenking plaats. De herdenking is uitgegroeid tot een waardig moment van terugblikken en gedenken, breed gedragen door de inwoners van Sumar. De leerlingen van de basisschool zijn hierbij ook vertegenwoordigd mede omdat "De Molkbus" bij het oprichten door de scholen is geadopteerd.

Dodo en Siburg

Over het ontstaan van Oosternijkerk.

 “Bij de feiten die ik verhaald heb, vergat ik bijna iets te vertellen wat ik mij wel wat laat herinner. Een vrouw, Siburg genaamd, een kennis van de man Gods (hier wordt abt Frederik van Hallum mee bedoeld), en met haar haar man Dodo die zeer aan dit wereldse bestaan gehecht was, schonken hun landerijen bij Nijkerk aan dezelfde man Gods (deze landerijen nu waren het begin van de uithof die men daar nog aantreft). Zelf leidde zij met haar man in het dorp dat Dokkum heet, een eerzaam bestaan totdat zij na lange tijd als oude afgeleefde mensen zich bij onze gemeenschap aansloten. Hun zoon, Dodo genaamd, groeide op in de dienst des Heren en nam toe in kracht tot eer van God en tot hun eigen vertroosting. Het meisje echter, zijn zusje, werd na haar huwbare jaren uit het leven weggeroepen en ging over tot de Heer.”(1)  
Deze tekst is afkomstig uit het abtenleven van Frederik van Hallum, de stichter in 1163 van klooster Mariëngaarde.
Dodo en Siburg gaan, op aandringen van hun zoon Dodo, die priester was geworden, op latere leeftijd in het klooster Mariëngaarde. Ze dragen daarbij al hun bezittingen over aan het klooster waaronder twee "grangie" in Novam Ecclesiam.
Inderdaad bezit het klooster Mariëngaarde in later tijd twee boerderijen in Oosternijkerk: Fookma en Donia. Verder was ook de Herbergh te Nikerk hun eigendom.

Als deze bezittingen uitgetekend worden op een kaart dan valt op dat het vrijwel een groot aaneensluitend geheel is, grenzend aan de bezittingen van de kerk en pastorie. Dat wijst naar een kerkstichting vanuit deze goederen, dus vanuit de bezittingen van "hoofdeling" Dodo.

Professor dr. J.A. Mol komt in zijn inaugurele rede tot de volgende conclusie.(2) Voor 1200 waren er in de Dongeradelen drie moederkerken: Holwerd, Ternaard en Anjum (en natuurlijk de Sint Maartenskerk in Dokkum). Uit deze drie kerken zijn alle andere kerken, en daarmee de dorpen, ontstaan. Natuurlijk wilde de moederkerk genoeg land en daarmee inkomsten in bezit houden als een gedeelte van de parochianen zich wilde afscheiden. Zo’n nieuwe parochie moest zelf maar zien genoeg landerijen bijeen te krijgen voor het onderhoud van de kerk (de patroon), de pastoor (pastoriegoederen) en eventueel voor een kapelaan of koster (prebende en kosterije). Pas als een groep parochianen dat allemaal voor elkaar had, kon een nieuwe parochie gesticht worden en daarmee een nieuw dorp.

Hans Mol stelt dat Dodo tussen 1160 en 1170 zijn landerijen aan het klooster Mariëngaarde heeft geschonken met als voorwaarde dat een monnik van dat klooster pastoor zou worden in de nieuw te bouwen kerk. Daar is ook bewijs voor want in 1224 wordt de kerk bediend door een Norbertijn van Mariëngaarde, een zekere meester J. die in een bepaald verschil de premonstratenzer  (de Norbertijnse kloosterorde) belangen behartigde. Naast de voor de pastoor benodigde pastoriegoederen zouden de andere landerijen genoeg opbrengen om een kerk van te bouwen. In totaal had klooster Mariëngaarde een 200 ha land in bezit: inkomsten genoeg.

Omdat de plek waar dit allemaal plaatsvond Novam Ecclesiam (Nieuwe Kerk) genoemd wordt, kan aangenomen worden dat Dodo en Siburg de stichters zijn geweest van de kerk in ons dorp en dat Frederik van Hallum daarbij een grote rol heeft gespeeld, want de patroonheilige werd Sint Cecilia, de favoriete heilige van Frederik. Zij is de patroonheilige van de muziek; vele muziekkorpsen in het zuiden van ons land dragen haar naam. Haar symbool is het orgel, waarvan als pars-pro-toto een orgelpijp in het wapen van Oosternijkerk is opgenomen.
Dat Dodo een belangrijk man was in deze streken, mag blijken uit het feit dat hij een groot aantal boeren/landeigenaren zover heeft gekregen om mee te werken aan de stichting van de parochie Nyatsjercka. De parochie bestond uit meer dan 30 volwaardige boerderijen die zich afscheidden van de moederkerk in Anjum en zelfstandig verder gingen. Hij kan daarom worden beschouwd als een hoofdeling, de middeleeuwse "edelman" in Friesland.

De slotconclusie kan zijn dat in ongeveer 1165 de monniken van het klooster Mariëngaarde hier kwamen om de bewoners van de nieuwe parochie te helpen bij het bouwen van de kerk, misschien hebben ze ook geholpen bij de aanleg van de eerste zeedijken uit die tijd. Die monniken moesten ook ergens onderdak hebben, dat kon natuurlijk op de twee boerderijen van het klooster, maar misschien ook ligt daar de oorsprong van de Herbergh te Nikerk.

Tekst: Reinder Tolsma.   
Bronnen: 1. Vitae Abbatum Orti Sancti Marie, vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland, blz. 233, H.Th.M. Lambooij en J.A. Mol, 2001.

2. Inaugurele rede aan de universiteit van Leiden, prof.dr. J.A. Mol.
De afbeelding van de dorpsnaam "Nyatsjercka" komt uit een akte van 1449.

Dagelijks reden vele duizenden auto’s langs Broeksterwâld, maar door de aanleg van de Centrale As is het inmiddels een stuk rustiger worden op de Haadwei. Maar hoe de toekomst ook zal worden, het is niet te vergelijken met de omstandigheden in de 19e eeuw en begin 20e eeuw. In vele publicaties worden de erbarmelijke omstandigheden beschreven met betrekking tot woonomstandigheden, scholing, hygiëne en arbeidsomstandigheden. Het geeft een beeld van armoe, grote gezinnen, spitketen en analfabetisme. Dit staat allemaal in schril contrast met de hedendaagse situatie. Het dorp heeft nog steeds een eigen school, een dorpshuis, een speeltuin, een kaatsveld en twee kerken. Aan de westzijde van het dorp is in de jaren 90 van de vorige eeuw een nieuwe wijk verrezen met ruim 30 woningen, en er liggen nog plannen voor een verdere uitbreiding.

Maar hoe anders was het voorheen. Pas in 1964 werd Broeksterwâld een zelfstandig dorp, daarvoor behoorde het gebied toe aan buurdorp Akkerwoude, waardoor het heel lang de naam had van Broek onder Akkerwoude. Een klein gedeelte viel destijds onder Rinsumageast, en aan de oostzijde nog een gedeelte wat toebehoorde aan Dantumawoude. Maar de geschiedenis gaat natuurlijk veel verder terug, want aan de westzijde vinden we de huidige Schwarzenbergloane, voorheen de Westerloane of Westersingel geheten. Deze oude naam vinden we vandaag de dag weer terug in de nieuwbouwwijk. Deze Schwarzenbergloane is een deel van het pad die de kloosterlingen in de middeleeuwen gebruikten om vanuit het nabij gelegen klooster Klaarkamp de Schierstins in Feanwâlden te bereiken. Van die periode is eigenlijk niks terug te vinden. Het is dan een woest en ruig veengebied, met veel water, bossen en moerasgebieden.

De enige link die er nog zou kunnen zijn met bewoning in de 17e eeuw is het feit dat een gebied ten noordoosten van Broeksterwâld het “Labadister Bosk” wordt genoemd. Mogelijk is dit een verwijzing naar de Labadisten die globaal tussen 1675 en 1725 op Walta State in Wieuwerd woonden. Deze sekte zou mogelijk ooit in de woeste gebieden van het huidige dorp om aanhangers hebben gezocht. Bewijzen zijn er nooit van gevonden, dus het blijft gissen. Op de Schotanuskaart van 1718 is alleen de naam Broeck te vinden, maar laat verder alleen maar een gebied zien van veen en bos. De geschiedenis van Broeksterwâld wordt pas in de 19e eeuw wat duidelijker. In die tijd is armoe troef, en zijn er maar amper stenen huizen te vinden. De erbarmelijke omstandigheden worden meermaals genoemd in rechtbankverslagen en krantenartikeltjes. Zo ook in een artikel van 13-01-1852 waarin men pogingen onderneemt om een school op te richten in het dorp.

Onderstaand artikel is geschreven door J. Kooistra.