Folsgare 1940-1945

De Tweede Wereldoorlog is in Folsgeare relatief rustig verlopen. De oorlogsjaren hebben echter wel degelijk hun sporen achtergelaten, al is er niet veel over bekend. In dit venster zijn diverse wetenswaardigheden bij elkaar gebracht.

Het eerste dat bekend is, dateert al van voor het uitbreken van de oorlog. Bij het verbouwen van de tweede school van Folsgeare komt een tekst tevoorschijn die op 13 september 1938 op een wand is geschreven. Hierin beschrijft timmerman Thomas Stallinga ( Tsjaerddyk 22) zijn bezorgdheid over het uitbreken van een nieuwe oorlog.

Hij heeft het goed voorzien. Na de inval van Duitsland in Polen verklaren Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk op 3 september 1939 nazi Duitsland de oorlog. De Tweede Wereldoorlog is een feit.

De meeste verhalen uit de Tweede Wereldoorlog in Folsgare gaan over de vele onderduikers die in deze periode in het dorp een veilige verblijfplaats hadden.

Onder meer op Strûpenkeal hebben vele onderduikers een veilige schuilplaats gevonden. Feike van de Velde woonde in de oorlog als kind op deze boerderij. Hij vertelt dat er soms wel zeven onderduikers op de boerderij woonden. In de tuin bij de familie stond een spiegel die gericht was op het pad vanuit het dorp naar de boerderij. Vanuit het huis was dan altijd te zien of er iemand aan kwam en wie. In het dorp hingen sommige mensen ook spiegels op aan de bomen. Zo konden ook zij in de gaten houden wie er aan kwam.

De terp ligt geïsoleerd en dit heeft zo zijn voordelen tijdens de oorlogstijd. De bezetting van de terp begint op 10 mei 1940 wanneer een verdwaalde Duitser op de fiets bij Strûpenkeal komt. Hij maakt een rondje om de boerderij alsof hij op deze manier wilde zeggen dat ze bezet zijn. Hij ziet geen andere mogelijkheid om verder te komen en verdwijnt weer snel. De tweede keer dat er een Duitser langs komt, is in het voorjaar van 1945. Hij vraagt om boter. Achteraf gezien hebben de bewoners weinig last van de bezetter gehad. Hierdoor hebben de onderduikers die er verbleven ook een betrekkelijk rustig leventje op de terp. Zo verblijft Johannes Beute van de boekhandel aan het Grootzand uit Sneek een tijd op de boerderij. Hij was uit het politiebureau bevrijd en verbleef er onder de naam "Tjitse”. Verder woonde trammachinist Wieling van de tram tussen Heerenveen en Sneek naar Bolsward op Strûpenkeal. Beide mannen waren vaste onderduikers.


Johannes Beute was de zoon van Harm Beute en Grietje van der Bij. Hij is geboren op 16 september 1901 te Grootegast en is overleden op 2 april 1962 te Sneek. Hij was getrouwd met Gezina Jantina Tuil. Ze hadden één zoon: Harm Johan Beute (geboren 1930 te Stadskanaal). Naast boekhandelaar was hij in zijn vrije tijd, naast B.B.-commandant, ook cultureel actief: hij schilderde, was lid van de tentoonstellingscommissie en recenseerde kunst in het Sneeker Nieuwsblad.

Tijdens zijn onderduikerstijd op Strûpenkeal tekende Beute veel. Feike van der Velde bezit een aantal tekeningen van zijn hand, zoals bijgaande tekening die Beute maakte met het zicht op Oosthem. De omgeving van de terp stond toen helemaal onder water. Dat had als voordeel dat de Duitse patrouille niet wist hoe bij Strûpenkeal te komen. Dat kon alleen vanuit het dorp, over het pad dat langs Carpe Diem liep.

Verder heeft mevrouw Vellema, een Joodse vrouw, met haar kinderen Leo en Nico een tijdje op de boerderij gewoond. Deze vrouw had de gewoonte om te gaan wandelen in het verder lege land. Dat viel heel erg op en werd als erg gevaarlijk ervaren door de andere bewoners van de boerderij. Er werd voor hen een ander onderduikadres gezocht.

Tegen het einde van de oorlog heeft de onderduikorganisatie Zuidwesthoek er ook nog een tijdje gezeten met leider Haitse Wiersma en politie agent de Jong. Er vonden wapendroppings plaats en regelmatig kwamen koeriersters op de fiets via Atseburen over de oude Hemdijk naar de Ald Rien. Ze werden met een bootje overgezet. Ze moesten daar dan soms een tijdje staan wachten. Feike vertelt dat zijn moeder dit maar helemaal niets vond. Het maakte haar bang. Er stond nooit iemand op de dijk en nu ineens wel. De vrouwen waren al van verre te zien, ook voor de Duitsers. Haitze Fongers Wiersma, de oudste zoon van Fonger Haitzes Wiersma en Trijntje Thomas Nijdam wordt geboren op 23 januari 1911 in Oosthem.


Haitze zijn vader Fonger had een brandstofhandel. Hij vervoerde turf met het skûtsje de Lastdrager. Hij bezorgde ook turf in Folsgare tot aan het bruggetje in de Tjaardvaart. Met een mand op de rug werd de brandstof naar de boeren aan de Alde Leane gebracht.

Op deze foto uit 1915 staat Haitze met zijn broers Thomas en Hylke en zijn ouders bij de mast van de Lastdrager

Haitze wordt in 1933 toegelaten tot de politieopleiding. In 1934 wordt hij in Den Haag en begin 1937 in Boskoop als politieman geplaatst. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog helpt hij onderduikers en joden en wordt coördinator van verschillende verzetsgroepen. Haitze Fongers (schuilnaam Wietse) wijkt uit naar Friesland waar hij leider wordt van de KP-centrale van Sneek. Wiersma pleegde overvallen en was betrokken bij de liquidatie van Geale van der Kooij. (doodgeschoten omdat hij teveel wist over het verzet) Daarnaast was hij onderdeel van het ‘Trio’ onder leiding van de Binnenlandse Strijdkrachten. Het ‘Trio’ bestond uit drie mannen die met de NBS samenwerken in militaire operaties rond het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hij verblijft enige tijd op Strûpenkeal samen met politieagent de Jong. Door de vele koeriersters die berichten komen halen en brengen wordt de rust steeds meer verstoord. Het begint op te vallen dat er iets gaande is en Haitze moet naar een volgend adres.


In 1943 krijgen de Duitsers er lucht van dat Haitze een belangrijk man in het verzet is en gaan op zoek naar hem. Zijn gezin wordt door de ondergrondse in veiligheid gebracht en Haitze seint zijn vader Fonger in dat het beter is om een tijdje te verdwijnen. Fonger duikt onder op een vissersboot van Hessel de Bruin die bij Oppenhuizen/Uitwellingerga ligt. De Duitsers gaan naar Oosthem en aangezien Fonger is ondergedoken, nemen ze in augustus 1943 zijn moeder Trijntje Nijdam mee en sluiten haar op in kamp Vugt. Trijntje blijft tot de kerst 1943 in het kamp opgesloten.

Haitze Wiersma overleeft de oorlog. Hij is later aan de Duitsers ontsnapt bij een razzia in Gaastmeer. Hij had zich in een waterput verstopt en ‘’herrees na de razzia als een feniks’’, schrijft Jan J. van der Veer in Luchtoorlog boven Zuidwest Friesland. In 1965 krijgt Wiersma de onderscheiding van ridder in de orde van Oranje Nassau. Hij overlijdt op 2 oktober 1982 in Zeist. In het Zwetteplan in Sneek is er een straat naar hem vernoemd, de “Haitze Wiersmastrjitte”.

Niet alleen op Strûpenkeal, maar in bijna alle woningen in en rond Folsgare hielden zich mensen verscholen.

In de oorlog kwamen veel Joden en andere vervolgden naar Friesland. Hier woonden relatief weinig NSB-ers en er vonden veel minder razzia’s en controles plaats dan in de stedelijke gebieden. Het aantal Joden dat tijdens de oorlog in Friesland was ondergedoken, wordt geschat op zo’n drieduizend. Het werden er in de loop van de oorlog steeds meer. De mensen wisten van elkaar wie onderduikers had. Elkaar verraden deed je niet. Helaas waren er ook enkele mensen die op de hand van de Duitsers waren. Men had meestal snel door wie niet te vertrouwen was. Het was echter stelregel dat je maar beter kon zwijgen, je wist maar nooit. Vaak woonden de onderduikers op zolder. Ze mochten alleen even naar buiten in de achtertuin. De onderduikers kwamen soms bij elkaar om te kaarten. Dit gebeurde dan meestal op zolder. De vrouwen zaten wel te handwerken. Echter, allemaal zaten ze altijd op de wip, klaar om te verdwijnen.

Op Tsjaerddyk 27 woonden Gerben de Boer, zijn vrouw Sjoukje Zijlstra en 7 kinderen. Er waren vijf mensen op de boerderij ondergedoken. Dit betrof de oudste zoon van het gezin, Gerben, een politie agent en zijn vrouw uit Sneek en een echtpaar Bijlsma uit Sneek ( wijnhandel Bijlsma) Zij vonden bij gevaar een schuilplaats in het hooivak, waarin een ruimte was gemaakt. Om daar te komen moesten ze over de hooizolder en door een luik. Door alle beweging viel er wel wat hooi naar beneden, waardoor het luik niet meer te zien was. Men moest soms vindingrijk zijn om uit handen van de vijand te blijven. Onder het hooi werden ook wel wapens verstopt. Voor alle zekerheid waren, zeker aan de achterkant van de boerderij, de deuren dag en nacht op slot.

Op zekere dag werd bekend dat er een razzia zou komen. De onderduikers verstopten zich op de vaste plaats. Dochter Rooske, toen een meisje van een jaar of acht, werd in bed gestopt en kreeg te horen dat ze moest doen alsof ze heel ziek was. Buiten werd een bord op de boom gehangen met de tekst: difterie. Een hoge militair en enkele soldaten kwamen naar de boerderij. Echter, ze hadden grote angst voor enge ziektes. Eén van de soldaten werd naar binnen gestuurd om zelf te zien of er een ziek kind in de bedstee lag. Daarna waren ze weer gauw verdwenen. Rooske heeft zich keurig aan de strikte instructies gehouden. Ze realiseerde zich pas veel later dat het toch wel erg gevaarlijk was geweest.


Rooske weet zich ook nog goed te herinneren dat ze een keer ‘s middags met elkaar (het gezin en de onderduikers ) om tafel zaten te eten. Er stond snert op het menu. Ineens kwam er een Duitser op de fiets naar de boerderij toe. In een oogwenk waren de onderduikers met hun bord verdwenen, de stoelen werden snel wat verschoven. De soldaat wilde graag wat boter. Het gebeurde wel vaker dat Duitse militairen eten kwamen halen. Mevrouw de Boer gaf ze altijd maar iets mee.

Met extra monden er bij, moest er ook extra eten komen. Zo werd er regelmatig stiekem geslacht in de kelder achter het huis. Daar kon je alleen maar komen via het huis. De kelder bevond zich half in de grond. Er stonden een paar hoge lindebomen naast. In de zomer zorgden de grote bladeren voor koelte. Meestal werd er een schaap of een varken geslacht. Soms ook wel een kalf dat niet wilde groeien. Siep Posthuma ( zie bij Tsjaerddyk 42) kwam dan langs. De oudste zoon Gerben hielp mee. Gerben slachtte zelf wel eens een haas of een konijn. Op een keer werd het verklikt dat er geslacht werd. Er kwam huiszoeking. De soldaten doorzochten het huis en kwamen ook in de kelder waar het vlees was opgehangen. Vader Gerben moest mee op de hooiwagen, een paar paarden er voor. Moeder Sjoukje overstuur en dacht het ergste. Een paar dagen later kwam vader weer thuis, uiteraard zonder vlees.

Tegen het einde van de oorlog kregen ze op de boerderij Duitse inkwartiering. De Duitsers sliepen in de schuur, waar ook de gevorderde paarden werden gestald. In die periode waren de onderduikers er niet meer.


Nadat de Canadezen de Duitsers hadden verdreven, realiseerden ze achter op het erf een werkplaats om kapot materiaal te repareren. Dat gebeurde in een tent, waar de mannen ook verbleven. Zoon Tjeerd ( 1939) leerde zelfs wat Engels van de soldaten: chewing gum en chocolate.

Na de oorlog lieten meneer Paulus Bijlsma en zijn vrouw Jantje Bijlsma-van der Horst een schilderij van de boerderij maken door kunstschilder Sjoerd de Vries uit Sneek. Dit kunstwerk kreeg familie de Boer aangeboden als dank voor de geboden veiligheid.

Kornelis (Kees) Wester en Hinke de Boer woonden in de oorlog op Tsjaerddyk 26a. Ze hadden een onderduiker in huis die onder de vloer, op de plek van de eettafel, een schuilplaats heeft. Deze man is een bakker uit Haarlem. Overdag was hij vaak bij de buurman (Tsjaerddyk 24), timmerman Eppinga en zijn zoon Jappie. Op Tsjaerddyk 26 woonde de familie Twijnstra. Zoon Willem was ook vaak bij de mannen te vinden. Ze zaten daar dan met elkaar wat te praten. Op een dag hoorde Willem dat Kees Wester het niet een fijne gedachte vond dat hun onderduiker de hele dag alleen bij zijn vrouw Hinke is. Immers, hij is als boerenarbeider de hele dag van huis. De Haarlemmer moest vertrekken. Hij kon echter terecht bij de familie Twijnstra en is daar zo’n anderhalf jaar gebleven.

Bij de familie Sweering (Tsjaerddyk 32) woonde een meneer op zolder.


Deze man kon echter niet goed tegen alle beperkingen. Bovendien lustte hij graag een borrel. Hoewel het verboden was om na 19.00 uur buiten te zijn, liep hij toch regelmatig ’s avonds naar de kroeg in Sneek. Wiebren Sweering, aan het begin van de oorlog 12 jaar, vertelt dat zijn ouders dit op een bepaald moment niet langer wilden. Het was té gevaarlijk. Wiebren vond het vooral spannend. Echter, voor deze onderduiker werd een andere schuilplaats gezocht.

In 1942 werd een Joods meisje van 23 jaar oud in het gezin van Jitze en Hinke Zietsma opgenomen: Anna de Rooij. Haar schuilnaam was Dora. Ze had haar haren roodgeverfd om maar niet ontdekt te worden. Zij was één van de vijf kinderen van Joseph de Rooij en Keetje Waas uit Amsterdam. Ze kwam via Scharnegoutum ( daar bleek sprake van verraad) in Folsgare terecht. De Zietsma’s hadden een schildersbedrijf op Tsjaerddyk 34.


Anna is ruim een jaar lang bij de familie Zietsma ondergedoken geweest. Begin december 1943 vond er in de omgeving van Folsgare een razzia plaats; kennelijk was er verraad gepleegd. Anna werd ijlings ondergebracht bij weduwe Trijntje Eppinga, ( zuster van timmerman Eppinga uit het dorp) die vlakbij Nijland woonde ( buurtschap ’t Hart). Ook Jitze, Hinke en hun kinderen Ulbe en Ruurd verlieten onmiddellijk het woonhuis. Jitze en Hinke kregen onderdak bij boer Jansen in Parrega, de boer waar Hinke vroeger gewerkt had. Ulbe kreeg onderdak bij Hinke’s zuster Aukje in Witmarsum en Ruurd bij een andere zuster van Hinke, Hielkje in Parrega. Enkele dagen later werd het angstige vermoeden van verraad bevestigd. Anna de Rooij werd gearresteerd en op transport gezet naar Westerbork. Mevrouw Eppinga moest haar schamele bezit ( 100 gulden ) afgeven aan de bezetter als afkoop. Twee zonen van de broer van Thies Twijnstra, die altijd bij ‘tante Tryn’ sliepen, werden ongemoeid gelaten. Jitze, Hinke, Ulbe en Ruurd zijn na de arrestatie van Anna nog ruim een maand ondergedoken gebleven. Ook daarna bleef het uiteraard erg spannend of het bieden van onderdak aan Anna wel of geen gevolgen voor het gezin zou hebben. Gelukkig bleef dat uit, maar het gezin had een groot drama te verwerken. Een zuster van Anna, Saartje, is bij hetzelfde verraad opgepakt. Zij heeft in Westerbork kans gezien om vlak voor hun beider vertrek naar Auschwitz, een briefje te sturen naar haar onderduikgevers. Vrij kort daarna werd er door de ondergrondse een briefje bezorgd (N.B. bij Hinke’s zuster Aukje in Witmarsum, het adres waar zoon Ulbe was ondergedoken!) met de mededeling dat Anna op verder transport was gezet naar Polen.


Inmiddels is bekend dat Anna de Rooij op 7 december 1943 in Westerbork in barak 67 ondergebracht is geweest en dat zij van daaruit op 25 januari 1944 op transport is gezet naar Auschwitz, waar zij op 28 januari 1944 werd vermoord.

Tevens is bekend dat, op één zuster na (Margaretha), het hele gezin van Joseph de Rooij in de oorlog is omgebracht. Anna’s moeder, Keetje Waas, op 13 maart 1943 op 63-jarige leeftijd in Sobibor, de anderen in Auschwitz. Anna’s vader op 74-jarige leeftijd op 19 november 1942, haar zus, Elisabeth (36 jr.) en haar broer Salomon (31 jr.) beiden op 30 september 1942, en Anna (25 jr.) en haar zus Saartje (36 jr.) beiden op 28 januari 1944.

Op de foto uit 1943 staat Anna de Rooij ( in het midden) te midden van een aantal dorpsbewoners. Het kleine meisje vooraan is Nanny. Nanny was ondergedoken in het gezin van Durk de Boer en zijn vrouw Jantje (links op de foto). Zij waren de naaste buren van Jitze en Hinke en hadden een kruideniersbedrijf (Tsjaerddyk 36)

Op Tsjaerddyk 42 woonden Douwe en Aagje Posthuma-de Boer met hun 10 kinderen. Ze hadden een slagerij. De oudste zoon Siep was ook slager, de tweede zoon Meinte studeerde aan de middelbare landbouwschool. Beide jongens hadden de leeftijd om te moeten werken voor de Duitsers. Ze moesten regelmatig in hun eigen huis onderduiken. Ze verdwenen soms ook in de weilanden of ergens in een hooiberg. Boven de schuifdeuren in de slagerij zat een geheime ruimte waar de jongens zich konden verstoppen. Dat liep bijna verkeerd af toen Duitsers met hun bajonetten in het plafond staken om te controleren of daar ook mensen verstopt waren. Na dit gebeuren werd op zolder een dubbele muur gemaakt (aan de westkant) waarachter ze zich konden verstoppen via een gat achter een kast.

Naar omstandigheden was het leven goed in Folsgare. Er was genoeg te eten, er was een stiekem onderling ruilsysteem. Bovendien werd er veel clandestien geslacht om ook de extra monden van de onderduikers te kunnen vullen. Zoon Siep kwam bij de boeren thuis om stiekem te slachten. De slager had zo een belangrijke taak in de voedselvoorziening. Wie het niet kon betalen, kreeg toch vlees van slager Posthuma. De Duitsers kwamen ook vlees halen, echter zonder te betalen… Je moest je fatsoen houden en zeg er maar niets van, aldus neef Wout Zijlstra.

Kalveren die bij de geboorte dood gingen, werden ook op de boerderij geslacht. Volgens de vleeskeuringswet (juni 1922) art. 4, moesten deze dieren vernietigd worden. Ook wrak of dood vee, b.v. koeien met gebroken poten of vee dat dood ging bij het kalveren, werd ter plekke geslacht. Volgens diezelfde vleeskeuringswet art. 5, moesten deze dieren naar een officiële noodslachtplaats. De slager kwam zo snel als hij kon om zoveel mogelijk goed vlees te behouden. Het meeste vlees werd meteen verdeeld / geruild, maar door inzouten, indrogen, koken, braden en wecken kon het vlees worden bewaard.

Siep kwam ook regelmatig op Strûpenkeal om een dier te slachten. Alle boeren die rond de boerderij woonden, konden dan mee profiteren. Meestal ging het goed. Echter, het slachten verliep ook wel eens anders dan gedacht. Boer Jongsma werd een keer met een volle emmer vlees bij het dorp opgewacht door de Duitsers. Hij moest mee naar het bureau in Sneek. Hij werd verhoord maar de bezetter kreeg echter geen vat op hem. Jongsma kwam terug zonder vlees. Hij had niets verteld over de clandestiene activiteiten op de boerderij.

Bij een andere gelegenheid slachtte Siep een pink bij boer Damstra. (Tsjaerddyk 44) Het bloed liep via de goot in de sloot, zodat iedereen het kon zien. Dit werd door een verklikker gemeld aan politie de Jong uit Nijland. Deze kwam kijken, maar ondernam geen actie. De Jong was een ‘goede’ politieman. Na een reorganisatie bij de politie, kwam er een nationaal socialistische leiding en kreeg hij mensen naast zich van o.a. de marechaussee. Hij had vanaf die tijd minder de mogelijkheid om gebeurtenissen als bij Damstra te verbloemen. Na de oorlog bleek dat hij zelf ook onderduikers in huis had en ook clandestien vlees nodig had.

Eén van de volgende keren liep het stiekem slachten helaas minder goed af. Siep werd gepakt door de Duitsers en werd vast gezet in de gevangenis van de marechaussee in Sneek. Hij kon hieruit ontsnappen door de tralies open te krijgen. Hierbij kreeg hij hulp van Sjors ( marinier), een onderduiker op de boerderij van Petrus Tiemersma, nu Jelle Breeuwsma. Hij werd hierna helaas toch weer opgepakt en afgevoerd naar kamp Vught. Dit kamp stond onder beheer van de SS. Hij heeft het daar heel zwaar gehad. Siep heeft hier meer dan 9 maanden gezeten en is via kamp Sachsenhausen in Duitsland na de oorlog weer thuis gekomen. Zijn moeder herkende hem bijna niet, zo mager was hij geworden. De eerste weken was het eten niet aan te slepen, vertelden zijn broers later.


Geeske, de één na jongste dochter van Douwe en Aagje, had het syndroom van Down. Het slagers echtpaar was erg bang dat de Duitsers daarachter zouden komen. In dat geval hadden ze haar waarschijnlijk naar een vernietigingskamp gestuurd. Gelukkig bleef het onopgemerkt.

Op de familiefoto: Douwe en Aagje Posthuma met hun 10 kinderen vlak na de oorlog. De oudste dochter Hinke trouwt met dorpsonderwijzer Hennie Grondman. Wout Zijlstra vertelt: links van Hinke ( in bruidsjurk) staat Meinte, rechts van haar Thomas, dan zijn moeder Idske en vervolgens Anneke. Helemaal links staat Jentsje, daarnaast Sjoerd, met daarvoor Geeske. Daarnaast zit pake Douwe Posthuma, dan beppe Aagje, daarnaast Geertje en helemaal rechts zit Siep.

Tegen het einde van de oorlog werd de boerderij op Tsjaerddyk 49 gevorderd door de Duitsers. Daar woonde toen de familie Andries Wiersma ( opa van de huidige bewoner) De paarden die door de bezetter werden gevorderd, werden in eerste instantie hier naar toe gebracht.


In die tijd groeide er klimop tegen de dorpskerk. Daar zaten vele duiven in, die door de soldaten werden geschoten. De vogels werden opgegeten als welkome afwisseling in het dagelijkse menu. Toen de klimop weggehaald werd bij de restauratie van de kerk in 1962, waren de kogelgaten van deze acties te zien. Andere slachtoffers waren eenden, die door de Duitsers in de winter van 1944 werden doodgeschoten om maar wat te eten te hebben.

Na de oorlog waren er veel Canadezen op het erf. ”Een mooi gezicht”, vertelt Thies Twijnstra

Bij Hessel Boschma op Walma state aan de Easthimmerwei 27 ( een eindje buiten het dorp) verscholen zich ook meerdere onderduikers. Siep van de Velde vertelt dat zijn oom Hessel daar woonde met zijn vrouw Marie en zoon Feike. Beppe woonde er ook. Zijn neef Yke wilde graag boer worden, maar door de slechte tijd ging dat niet. Hij werkte daarom bij zijn oom. Deze Yke vertelde dat er eens een paar Duitsers aan de deur kwamen die op zoek waren naar onderduikers. Inmiddels hadden deze onderduikers zich al in veiligheid gebracht. De Duitsers werden binnen gelaten en kregen thee. Tante Marie zei: ”Doch dat gewear hjir wei. Oars wurdt beppe bang” ( Doe dat geweer hier vandaan, anders wordt oma bang) Ze deden het meteen. Siep besluit: ”Niet alle Duitsers waren slecht”.

Een bijzonder verhaal is wel dat er een paard uit de lucht kwam vallen bij Walma state. Het bleek dat één van de versperringsballonnen om Londen was losgeslagen. Het anker van die ballon bleef haken achter een paard, dat werd meegesleept en terecht kwam voor de schuurdeuren van de boerderij.

Bij Bouwe Speerstra op de boerderij vonden vele onderduikers een ( vaak tijdelijk) onderdak. Het waren vooral joden uit Amsterdam, die via Speerstra (Tsjalhuizum nr 9) een onderduikadres kregen. Kleinzoon Bouwe vertelt dat de vader van zijn opa gestorven is toen opa nog heel jong was. Mede door deze traumatische gebeurtenis werd opa een ‘einzelganger’, iemand die zijn eigen weg ging. Hij was de baas en had de directie.

Opa was een veldman. In het voorjaar was hij vaak op pad om eieren te zoeken en daarnaast ging hij geregeld op jacht. In de oorlog deed hij dat met twee hazewindhonden ( Bleuke en Herta). Je mocht van de bezetter niet een geweer bezitten. Hij kwam door zijn jagersmaat uit Speers in aanraking met de verzet en raakte betrokken bij vele activiteiten van de ondergrondse.

Op een bepaald moment moest het hele gezin de boerderij verlaten. Familie in Nijland bood het gezin een tijdelijk onderdak. De Duitsers namen opa zijn plaats in, waren baas op zijn erf. De arbeiders mochten op de boerderij blijven. Opa ging na een bepaalde tijd terug naar de boerderij en meldde zich aan als arbeider. Hij werd aangenomen. Hem werd gevraagd of hij ook wist waar Bouwe Speerstra was. Dat wist hij natuurlijk niet…. Na zo’n drie weken verdwenen de Duitsers weer en kon het gezin terug naar de boerderij. Niet alleen de soldaten, maar ook alle sieraden waren verdwenen…

Eén van de onderduikers die op de boerderij onderdak heeft gekregen, was Jackie de Wilde uit Sneek ( in januari 1945). Hij was (half) jood en slager in Sneek ( later in Burchwerd). Jackie was opgepakt door de Duitsers en zat gevangen op het politiebureau in Sneek. Hij werd bevrijd door een jonge NSB-er van 17 jaar. In ruil voor zijn vrijlating beloofde Jackie aan deze jongen dat hij hem na de oorlog zou helpen om werk te vinden. Zo stonden Jackie en zijn bevrijder op een avond om 23.30 uur bij de Speerstra’s voor de deur. Oma Gerritsje en haar dochter Johanna (later de moeder van Bouwe) lieten hen binnen. De (latere) vader van Bouwe Abma kende de bevrijder van Jackie. Hij zat met hem in groep 8 op een basisschool in Sneek. De rest van de familie kende deze jongen niet. Om uit de armoede van thuis te ontsnappen, had de 17 -jarige zich, samen met zijn vader en broer, aangesloten bij de NSB. Na verloop van tijd werd Jackie naar Gaasterland overgeplaatst. Zijn bevrijder chanteerde vervolgens de familie Speerstra met regelmaat . Hij stelde zijn eisen en dreigde dat hij de bezetters zou vertellen over de onderduikers en de verzetsactiviteiten op de boerderij als hij zijn zin niet zou krijgen. Hij werd een aantal keren gewaarschuwd, maar hij hield niet op. Na verloop van tijd werd hij, omdat hij lastig bleef doen, overgeplaatst naar een dorpje bij Sneek. Hij maakte zich ook daar onmogelijk en vervolgens werd aan zijn handelen definitief een einde gemaakt.

Veel mensen uit Sneek kwamen al vanaf 1942 naar de boerderij om melk. Opa was altijd royaal, iedereen kreeg voldoende mee. Zijn goedheid zorgde er ook na de oorlog voor dat veel mensen enorm veel sympathie hadden voor boer Speerstra.

In januari 1945 had een groepje Duitsers dat in Sneek geïnterneerd was, geen eten meer. De mannen vroegen opa en oma of ze iets te eten voor hen hadden. Eén van de mannen vertrouwden ze niet echt, die werd in de gaten gehouden. De tweede man stond met tranen in de ogen met het kleine dochtertje ( zusje van de moeder van Bouwe) op de arm. Hij moest naar het front en zou zijn eigen dochtertje nooit meer zien. De derde man was een schaapsherder, George Hitzler. Hij kwam helpen op de boerderij als er iets fout dreigde te gaan met het lammeren.

Later kwam er ook een Duitse marineofficier, Frans Maletski, naar Tsjalhuizum. Deze officier was gedeserteerd uit het Duitse leger en bleef tot na de oorlog op de boerderij. Hij hield zich verscholen in de schuilplaats achter de keuken, half onder het hooi, waar een betonnen bak stond. Hij is na de oorlog verschillende keren terug geweest in Friesland, vaak om te varen. Tot aan zijn dood heeft de familie Ruurd en Johanna Abma contact met deze man gehouden.

Ook na de oorlog had Bouwe Speerstra veel voor anderen over. Zo zorgde hij ervoor dat een NSB-er uit IJsbrechtum werd bevrijd uit de gevangenis in Sneek. Vaak hadden mensen om economische redenen in de oorlog voor de kant van de Duitsers gekozen. Speerstra beschouwde daarom mensen die deze stap hadden genomen, niet allemaal als slecht.

Bouwe Abma is trots op zijn opa. Om zijn grote kennis van het boerenbedrijf en om alles wat hij heeft gedaan in de oorlog. Bouwe Speerstra heeft vele heftige dingen meegemaakt. Hij was een goede boer en een goed mens, maar hij was daarentegen ook een avonturier en zocht de spanning. Al deze ervaringen zijn van grote invloed geweest op zijn verdere leven.

Kerkklokken zijn door de eeuwen heen altijd beschouwd als oorlogsbuit. Ze werden door de bezetters verkocht en met dat geld werden de soldaten betaald. In latere tijd ging men de klokken omsmelten om er kanonnen van te maken.


In 1942 ontvangen de kerkvoogden een waarschuwing dat de bezetter weleens de klok zou kunnen vorderen. In 1944 was het zover, de klok werd door de Duitsers meegenomen. Daarna werd besloten om voor 10 gulden een surrogaatklok aan te schaffen. De fabrieken waar de klokken werden omgesmolten, werden gebombardeerd. De klok bleef daardoor behouden en werd gelukkig na de oorlog teruggevonden in een depot vlakbij Giethoorn. Op 1 februari 1946 werd de surrogaat klok weer vervangen door de echte torenklok. Tijdens hun afwezigheid werden alle klokken door de bezetters geregistreerd en gemerkt. Daardoor staat nog steeds, uit die tijd, de naam van het dorp met grote letters op de klok.

In een nacht in 1944 heeft een bommenwerper die was aangeschoten, net ten westen van de terp Strûpenkeal vijf bommen laten vallen. De dorpsjeugd ging de volgende dag op zoek naar scherven in de bomkraters die achterelkaar lagen ( foto)


Eind 1944 gebeurde dit nog een keer toen er tussen Carpe Diem en Strûpenkeal drie bommen naar beneden kwamen. Maar gelukkig was het enige slachtoffer een zeemeeuw.

In het voorjaar van 1944 was het raak bij het “Wite Stek”, daar waar de A-7 en de Ingenawei elkaar treffen. Een Duitse stafauto werd door een geallieerde jager kapotgeschoten op het punt waar toen Rijksweg 43 ophield. Boeren aan de Tsjaerddyk die ernaar stonden te kijken, moesten ineens rap vluchten omdat een aantal kogels bij hun boerderij in de achtermuur sloeg. Deze inslagen zijn nu nog te vinden in de stelpboerderij van Feike Boschma aan de Tsjaerddyk 29

Samenstelling: Wytske Heida

Met dank aan:

Siep van der Velde.

Feike en Rooske van der Velde-de Boer

Sjoerd Posthuma

Jentje Posthuma

Wout Zijlstra

Thies Twijnstra

Wiebren Sweering ( overleden 2019, via Anne Walsma)

Bouwe Abma

Atse Bruin

Joods monument: Jack Kooistra “Een laatste saluut”, 2005

Foto’s:

Tjeerd de Boer, Atse Bruin, Wytske Heida, Familie Zietsma, Wout Zijlstra.

Zie voor meer informatie:

Venster 9 Folsgare 1940-1945.pdf


© Tekst: wytskeheida2547
© Foto voorblad: dbfolsgeare

Opmerkingenvenster

Folsgare 1940-1945