Tsjaerddyk, kerkhuis noord

De Tsjaerddyk begin 1900, gezien richting Nijland. Het huis aan de rechterkant is het kerkhuis, ertegenover is de winkel van Anne Sjirks Cnossen ( nu nummer 36) De vrouwen en kinderen staan voor het huis dat nu nummer 34 heeft. De jongen op de fiets staat tegen de gaslantaarn naast het onbebouwde erf van het kerkhuis.



 


 


Het eerste dat in het kerkarchief over dit kerkhuis staat, is een betaling in 1816 aan Sikke Willems Goenga, timmerman uit Nijland, voor “de kerkhuizinge”. Wanneer het kerkhuis precies is gebouwd, is onbekend, maar waarschijnlijk zal dat na 1800 zijn. De eerste huurders die in het kerkarchief worden genoemd, zijn Niklaas (Klaas) Feddes Breeuwsma en zijn vrouw Pyttje Sytses Ypma (getrouwd in 1830). In 1833 verhuizen ze en komt Jouke Rintjes Boschma, getrouwd met Jetske Klazes Bosma, in het kerkhuis. Zij blijven er een jaartje wonen. Het huis is de jaren daarna een komen en gaan van huurders die tijdelijk onderdak nodig hebben.


Vanaf 1844 zijn er huurcontracten bewaard gebleven. Die werden elk jaar opnieuw opgemaakt. Volgens het contract van 1844 wonen schoenmaker Bokke Pieters Nettinga en zijn vrouw, naaister Jeltje Pieters Bergsma in het huis. Na het overlijden van Bokke Pieters in 1845, hertrouwt Jeltje in 1846 met Douwe Lucas Elsinga die ook schoenmaker is. Het stel blijft er tot 1850 wonen. Daarna woont Klaas Durks er tot 1853.


Vanaf 1854 wordt het huis voornamelijk als starterswoning gebruikt door de kinderen van Willem Sjerps Twijnstra en Japke Pieters. Alle jongens wonen er na hun trouwen een tijdje. Hun ouders, die er schuin tegenover wonen, kunnen de helpende hand bieden. Als laatste van deze familietraditie woont Nantje van Hasinge, weduwe van Willem Sjerps Twijnstra ( kleinzoon van eerstgenoemde Willem Sjerps) er tot 1899.


Vervolgens wonen Murk Postma en Trijntje Feenstra er twee jaar. Klaas Feddes Breeuwsma ( kleinzoon van de eerste huurder) en Dina de Jong zijn de huurders tot 1907. De volgende bewoners zijn Ids Schaap en Geertje Bergsma met hun drie kinderen.


Het onderhoud van het pand is een zware belasting voor de financiën van de kerk en in 1921 wordt het aan Ids Schaap verkocht. In 1929 overlijdt zijn vrouw Dina en Ids trekt bij zijn dochter in. Het huis wordt verkocht aan Tsjerk Wiersma en Baukje Postma uit Oosthem. Tsjerk is beter bekend als Lytse Tsjerk en heeft o.a. als bakkersknecht voor bakker de Witte uit Oosthem gewerkt.




Tsjerk Wiersma overlijdt in 1941 op 72-jarige leeftijd en Baukje blijft er alleen wonen. Zoon Wietse zorgt voor zijn moeder. Na de oorlog is er behoefte aan nieuwe woningen in Folsgare en naast het kerkhuis komen in 1949 nieuwe huurwoningen. Het zijn twee blokjes van twee waar de boerenarbeiders van Folsgare in komen te wonen.


Baukje overlijdt op 17 januari 1959 op 88-jarige leeftijd en het huis wordt aangekocht door Jelle Wiersma die zijn timmerbedrijf aan de overkant heeft. Wybren Sweering heeft ook belang bij het pand, maar vist achter het net. Wybren had het plan om een werkplaats van het huis te maken en daar een boot te bouwen. Baas Jelle vindt dat een prima plan en Wybren mag het huis gebruiken voor het bouwen van een zeilboot.


 Als de boot klaar is, helemaal met de hand gemaakt, wordt het huis afgebroken en bouwt Jelle Wiersma er een werkplaats.



De werkplaats komt ( en staat nog) op de plek van het kerkhuis, maar dan meters naar achteren, op dezelfde rooilijn als de nieuwbouw er naast.



Tekst A.Bruin, bewerking Wytske Heida