Deel:


Belgische vluchtelingen, 1914

Belgische Vluchtelingen, 1914.

Op 28 juni 1914 klonken te Serajevo dodelijke schoten waarbij Frans Ferdinand van Habsburg door de Bosniër Gavrilo Princip werd doodgeschoten. Deze aanslag vormde de aanleiding tot allerlei oorlogsverklaringen: Oostenrijk aan Servië, Duitsland aan Rusland en op 3 augustus Duitsland aan Frankrijk. De Eerste Wereldoorlog was een feit. 

Dat is allemaal de ‘ver-van-mijn-bedshow’ zullen de bewoners van Noordoost-Fryslân gedacht hebben, maar daarmee kwamen ze bedrogen uit: de ‘Grote Oorlog’ zou, ondanks Nederlands neutraliteit, grote gevolgen hebben voor ons land in de vorm van voedsel- en kledingschaarste en grote stromen vluchtelingen.

Al op 4 augustus kwamen de eerste Belgische vluchtelingen de Nederlandse grens over, ze werden opgevangen bij particulieren in Limburg en Brabant. Toen de Duitsers op 6 en 7 oktober 1914 Antwerpen bombardeerden, kwam de vluchtelingenstroom pas echt op gang: op 10 oktober werd hun aantal al geschat op 1 miljoen! Na de ergste schermutselingen ging een aantal vluchtelingen weer terug naar Antwerpen en omgeving, maar gedurende de rest van de oorlog zouden er ongeveer 100.000 in ons land blijven. Het was duidelijk dat die over het hele land verspreid moesten worden, want in het zuiden waren ook onze soldaten ingekwartierd, die de neutraliteit van ons land moesten bewaken: dat betekende Belgische soldaten die over de grens kwamen, ontwapenen en in kampen onderbrengen, in totaal ongeveer 30.000.

Burgemeester Sijtsma werd door de Commissaris van de Koningin benaderd om op te geven hoeveel vluchtelingen in de gemeente Oostdongeradeel zouden kunnen worden ondergebracht. Hij schatte dat aantal op 178: in de bovenzalen van de zes dorpsherbergen 10 personen, in de leegstaande schoolgebouwen in Niawier en Lioessens ook 10 personen, in de 12 consistoriekamers in de gemeente elk 6 en in de herbergen zelf nog eens 24 personen.

Op 14 oktober schrijft Nieuwsblad Dockum: 

‘Gistermiddag arriveerden te Metslawier een honderdtal vluchtelingen, die weldra over verschillende dorpen der gemeente zijn verdeeld. Heden waren sommigen hunner reeds behulpzaam bij het rooien van bieten of verrichten van andere werkzaamheden.’ 

De journalist schat de aantallen te hoog in, het zouden er 39 zijn, waarvan 24 naar Oosternijkerk.

Op 21 oktober meldt de correspondent van Oosternijkerk: 

‘Het grootste deel der in de gemeente Oostdongeradeel verblijvende Belgische vluchtelingen n.l. een dertigtal, is in ons dorp aangeland. Zij houden verblijf in de consistoriekamers der Ned. Herv. en der Geref. Gemeente. Een comité van ingezetenen zorgt voor de regeling.’

Een kort bericht waarachter een wereld van verdriet, spanning, organisatie enz. schuil gaat. Wat te denken van Joanna Geerts uit Antwerpen. Ze had wel haar vijf kinderen bij zich, maar waar haar man Leopold (sigarenmaker, maar nu soldaat) was, wist ze niet, zelfs niet of hij nog wel leefde. Deze onzekerheid was des te pijnlijk omdat zij in verwachting was en haar kind elk moment geboren kon worden. En de kleine Joannes Baptista werd inderdaad een week na aankomst in Oosternijkerk geboren.

In de berichtgeving is steeds sprake van ‘consistoriekamers’ van de kerken, maar bedoeld zal zijn de ‘lokalen’ van de kerken, die (vaak) tevens als consistoriekamer werden gebruikt. Het kwam nu goed uit dat de kerken in Oosternijkerk nog niet zo lang geleden lokalen hadden laten bouwen. Het lokaal van de Hervormde Gemeente was in 1911 in gebruik genomen en werd door 4 gezinnen met in totaal 17 personen ‘bewoond’. Het lokaal van de Gereformeerde Kerk was in 1910 gebouwd en werd door twee gezinnen met in totaal 7 personen bewoond.

Het ‘comité van ingezetenen’ bestond uit: Pieter J. Steenbeek, NH-predikant en voorzitter, Pieter Reiding, hoofd openbare school en penningmeester, boer Jacob Stiemsma, aardappelhandelaar Sijtze Blom en koopman in kunstmeststoffen Jacob Slagter. Penningmeester Reiding deed de inkopen, hij betaalde bijvoorbeeld f 10,50 voor 15 HL cokes aan de hervormde kerkvoogden. Ook betaalde hij de vluchtelingen f 0,35 per volwassene per dag uit en f 0,20 per kind. Een door de overheid vastgesteld bedrag. Zo kreeg Joanna Geerts eerst f 1,35 per dag en na de geboorte van zoon Joannes Baptiste f 1,55.

De eerste vluchtelingen vertrekken op 11 november 1914 weer richting hun vaderland, ze zijn een maand in de gemeente Oostdongeradeel opgevangen. Na enkele mindere berichten uit Antwerpen stokt de animo om terug te keren, maar na de jaarwisseling komt de stroom weer op gang. De correspondent van Oosternijkerk schrijft op 27 februari 1915: 

‘Naar men uit goede bron verneemt, zijn de Belgische vluchtelingen, die in ons dorp vertoeven, een elftal nog, van plan dezer dagen naar hun vaderland terug te keeren. Zoodra de benoodigde papieren zijn gearriveerd en de reisgelegenheid er is, gaan ze vertrekken. De beste wenschen van onze dorpsgenooten zullen hen dan vergezellen.’

Uiteindelijk blijven twee gezinnen in Oostdongeradeel achter, zeker tot ver in 1916. Van problemen met vluchtelingen in Oostdongeradeel staat nergens iets beschreven. Het zijn ‘goede lieden’, die hoewel ze Vlaams spreken, goed te verstaan zijn. Volgens de berichten in de krant werken ze spoedig op het land of elders mee. Deze werkkrachten kwamen in die tijd goed van pas omdat veel inwoners opgeroepen waren ter Mobilisatie.

Het korte verblijf van de Belgische vluchtelingen, de meesten een maand, anderen wat langer, kan er de oorzaak van zijn dat van hen in Oosternijkerk vrijwel niets meer bekend is, ook niet bij ouderen. Als deze ouderen het hebben over ‘de Belgen yn de earste Wrâldkriich’, hebben ze het niet over Belgische, maar over Franse vluchtelingen, een groep die groter was en later kwam.

Tekst: Reinder Tolsma


© Tekst: Reinder Tolsma - © Foto voorblad: Reinder Tolsma

Belgische vluchtelingen, 1914
©: Reinder Tolsma
Belgische vluchtelingen, 1914
Gereformeerd lokaal 1910 (©: )
Belgische vluchtelingen, 1914
Gereformeerde kerk en positie lokaal-consistorie (©: )