Deel:


Franse vluchtelingen, 1918

Franse Vluchtelingen, 1918

Gedurende de eerste dagen van de Duitse opmars door België naar Noord-Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog werden snelle successen geboekt. Op 5 september 1914 waren ze al gevorderd tot op 100 km van Parijs. Daarna stokte de opmars en ontstond een loopgravenoorlog: jarenlang bewogen de legers zich langzaam heen en weer op Franse bodem tot op 8 augustus 1918 de geallieerde legers een doorbraak forceerden aan de rivier de Somme en Rijssel en Douai beschoten.

Door deze ontwikkelingen ontstond er een grote vluchtelingenstroom waar de Duitsers mee in hun maag zaten. Zwitserland en Nederland werden om hulp gevraagd en treinen brachten veel vluchtelingen naar Roosendaal, andere vluchtelingen moesten lopen zoals een 87 jaar oud vrouwtje uit Douai dat de reis naar Thorn in Limburg deels te voet en deels in een kinderwagen had afgelegd.

Net als in 1914 begint de bemoeienis van Noordoost-Fryslân met de vluchtelingen na een schrijven van de Commissaris van de Koningin aan de burgemeesters. Burgemeester Sijtsma van Oostdongeradeel denkt meteen een 50-tal vluchtelingen te kunnen onderbrengen in ‘de z.g.n. catechisatielokalen der respectieve kerken’ en in het uiterste geval wel aan 500 vluchtelingen onderdak te kunnen geven ‘waarvoor kerken en scholen moeten worden ingericht’. 

De burgemeester maakt zich wel zorgen over de voeding van de vluchtelingen, immers er is voor veel artikelen distributie. Hij wil kunnen beschikken over alle in de gemeente aanwezige voedingsmiddelen ‘zo noodig in afwijking van distributievoorschriften’. Ook wil hij kunnen beschikken over 30 kilo carbid om de 15 lampen te laten branden die nodig zullen zijn voor een goede opvang. Mochten er ook scholen en kerken ingericht worden dan zou dat op kunnen lopen tot wel 100 kilo carbid per week voor de 50 benodigde lampen! Ja, pas in 1926 werd bijvoorbeeld overgegaan tot elektrificatie van de straatverlichting in de gemeente. Sommige particuliere huizen waren al eerder van elektriciteit voorzien.

De vluchtelingen komen op 30 oktober 1918 met het ‘Dokkumer Lokaaltsje’ vanaf Leeuwarden naar Dokkum, waarin volgens de krant ‘zich een honderdtal vluchtelingen bevond, waarvan er 52 voor Dockum bestemd waren en de rest voor Nijkerk (O.D.)’. Anders dan de vorige keer werden de vluchtelingen niet over verschillende dorpen verdeeld. Het is de burgemeester ter ore gekomen dat er in Oosternijkerk een geschikte plek is om een groot aantal vluchtelingen tegelijk op te nemen: het in 1911 gebouwde kunstmestpakhuis van de firma Slagter en Zwart. Dat pakhuis stond in de wintermaanden waarschijnlijk meestal leeg en een van de eigenaren, Jacob Slagter, zat tevens in het comité dat de vluchtelingen zou opvangen. Ook dominee Pieter Steenbeek, schoolhoofd Pieter Reiding, boer Jacob Stiemsma en aardappelhandelaar Sijtze Blom waren weer van de partij. De laatste twee wooonden tegenover het pakhuis. In eerste instantie komen er 42 vluchtelingen uit Douai en omgeving naar Oosternijkerk maar al gauw komen er meer:

‘Ooster-Nijkerk, 5 nov. Wederom zijn hier een 100-tal Fransche vluchtelingen gearriveerd die evenals de vorige in het pakhuis van de firma Slagter en Zwart zijn ondergebracht. Er zijn er thans dus een 150-tal. Naar men verneemt komen er hedenavond nog een 30-tal bij. ’t Is jammer voor de burgers van ons dorp, dat ze de vluchtelingen niet kunnen verstaan. Slechts een enkele kan zich met de vreemdelingen onderhouden.’

Er komen er inderdaad nog 32 zodat er in totaal 179 vluchtelingen ondergebracht worden in het pakhuis. Eind november vertrekt de weduwe Henriëtte Eve met drie kinderen naar Markelo waar ze in hetzelfde gebouw gehuisvest kan worden als haar zes andere kinderen en kleinkinderen en daarmee komt het aantal vluchtelingen in Oosternijkerk op 175, een aantal dat lange tijd gelijk blijft.

Onder deze vluchtelingen komen grote en kleine persoonlijke tragedies voor: sommigen verliezen bagage of familieleden en doen oproepen in het ‘Bulletin Périodique’. Erger is het voor de moeder (haar vader was hier niet) van Aline Eve als haar 15-jarige dochter op 19 december 1918 het leven laat. Een week eerder stierf de kleine Emile Victor Lecointe, vier jaar oud. Hij lag in een open kistje in het pakhuis en glurende kinderen zagen stomverbaasd hoe de kleine Emile een sleutel in zijn handen houdt. Beide kisten werden door voerman Ealse Weidenaar in zijn glazen wagentje naar de RK-begraafplaats in Dokkum gebracht. 

Al is er op 11 november 1918 vrede gesloten, de vluchtelingen kunnen nog lang niet naar huis en dat terwijl de winter voor de deur staat. De burgemeester maakt zich zorgen in een brief aan de CDK vanwege het houten gebouw, een opeengepakte groep mensen (waaronder T.B.C. patiënten) en een toeslaande verveling en sterk verlangen naar hun eigen land onder de vluchtelingen.

Op 25 december vertrekken de eerste vluchtelingen uit het dorp naar Rotterdam om vandaar met het schip terug te worden gebracht naar Frankrijk: de infrastructuur in België is door de oorlog volledig ontwricht. Eind december vertrekken er nog eens 34 personen en op 4 januari 1919 verlaten de laatste vluchtelingen het dorp:

‘Ooster-Nijkerk. Nadat voor een paar weken een 30tal der Fransche vluchtelingen naar hun land waren teruggekeerd, zijn heden de overige – een 150-tal – vertrokken. Vooraf gegaan door het Geref. fanfarecorps, zijn ze heden morgen afgereisd naar ’t station Metslawier en gevolgd door een groot aantal belangstellenden, die allen meetrokken, om de naar hun land trekkenden aan het station een laatst vaarwel toe te wenschen. Dat het de vertrekkende zuidelijke broeders in hun verwoest land wel moge gaan.’

Hoe hebben de Oosternijkerkers deze invasie van 180 vreemdelingen in een dorp met 840 zielen beleefd? Van de komst van de Belgische vluchtelingen uit 1914 is vrijwel niets blijven hangen, de invasie uit 1918 daarentegen heugt de ouderen nog best, ook al noemen zij die Franse vluchtelingen ‘de Belgen’. Ze spreken een andere taal, dragen andere kleren, hebben andere gewoonten. Er kan best gesproken worden van een cultuuromslag in deze kleine gemeenschap waar auto en elektriciteit nog onbekend waren en het wereldnieuws zonder televisie en radio alleen via de krant binnenkwam (meestal laat en alleen voor wie kon lezen).

Alleen al de aankomst moet een groot gebeuren zijn geweest: op boerenwagens werden de vreemdelingen van het station te Metslawier opgehaald en onder het toeziend oog van de complete dorpsbevolking naar het pakhuis gebracht. Meisjes speelden later met Franse meisjes en waren jaloers op hun lange haren: ze haalden een kleedje bij hun moeders en bonden die op hun hoofd om die lange haren na te bootsen.

Stiekem gluurden de dorpsjongens bij de slager naar binnen als er een varken werd geslacht waarbij enkele vluchtelingen aanwezig waren. Tot hun stomme verbazing zagen ze hen het bloed in kommetjes opvangen en meteen opdrinken!

Winkelier Wouda wist meteen wanneer er uitbetaling (f0,35 per volwassene en f 0,20 per kind per dag) was geweest: zijn winkel strond dan vol Fransen die allemaal Kwatta-repen kochten. Ze zullen wel gek op chocola zijn, moet hij gedacht hebben. Maar bekend is dat Belgen meesters waren in het vervaardigen van ringen door zilverpapier om te smelten, misschien konden de Fransen dat ook.

Vol verwondering bezagen de dorpskinderen die met Franse kinderen speelden, de lange rijen britsen in het pakhuis, de rijen privaattonnen die buiten het pakhuis tegen de dorpsvaart stonden, het koken door de vrouwen die met droog weer buiten met grote kookpotten bezig waren.

Er was zelfs een Oosternijkerker die aan het verblijf van de Fransen een bijnaam overhield. Rienk Blom wist iets van de Franse taal en kwam daarmee in een bevoorrechte positie terecht. Hij was nog jong maar van de dokter kreeg hij eenvoudige medicijnen en daarmee hield hij elke ochtend zitting. Omdat er veel gehoest werd (denk aan het houten vochtige gebouw in de winter!), was het meest gebruikte medicijn ‘pour la toux’: voor de hoest. Een tijdlang heette hij daarom ‘pour la toux’. Hij had trouwens ook een tijdje verkering met een van de Franse meisjes en liep gearmd met haar in het dorp!

‘Beppe Minke’, zij werd 102 jaar, herinnerde zich op late leeftijd nog steeds de Franse vluchtelingen. ‘It wie wol frjemd folk, hear, want dy froulju stiene te pisjen.’ Ja, beppe Minke was duidelijk nog nooit in Frankrijk geweest!


© Tekst: Reinder Tolsma - © Foto voorblad: Reinder Tolsma

Franse vluchtelingen, 1918
©: Reinder Tolsma
Franse vluchtelingen, 1918
Het in 1911 gebouwde kunstmestpakhuis (©: Reinder Tolsma)
Franse vluchtelingen, 1918
Situatietekening Verblijfplaats vluchtelingen (©: )