Matglas


Dikke vrienden waren het, Anne Abrahams Blom en Durk Andries’ Zwart. Allebei ook boer, Blom op een boerderij uit 1750 net buiten het dorp aan de Langgrousterwei en Zwart op de grote boerderij aan de Grytsjewei richting Lioessens. Allebei waren ze getrouwd met een rijke weduwe met een eigen boerderij en veel land waardoor ze een vooraanstaande positie in het dorp verwierven. Allebei waren ze actief in de staatskerk waarin ze jarenlang functies als ouderling of kerkvoogd bekleedden. Samen hadden ze geijverd voor het christelijk onderwijs in het dorp. Vanuit hun lidmaatschap van de Vereniging Vrienden der Waarheid hadden ze jarenlang ouders in het dorp en de omgeving ‘bewerkt’ om een eigen christelijke school op te richten. Dat was gelukt in 1868 waarna ze samen in het bestuur zaten: Durk Zwart was van 1873-1912 voorzitter en Anne Blom van 1865-1888 bestuurslid. Samen ook hadden ze zorgen over de toestand in de staatskerk, ze waren het langniet eens met de Modernisten die weinig of niets moesten hebben van de oude Gereformeerde Belijdenis. Als ze elkaar tegenkwamen bespraken ze vaak samen de voor hun idee verontrustende toestand van hun aloude kerk, de kerk waarin zij waren gedoopt en belijdenis hadden gedaan. Zwart ging het verst in zijn afwijzing van de gang van zaken en bezocht rechtzinnige dominees in andere dorpen. Eerst moest hij daarvoor helemaal naar Gerkesklooster, dat betekende om 2 uur in de nacht vertrekken om op tijd voor de preek te zijn. Later kwamen er ook rechtzinnige dominees in de omgeving, bijvoorbeeld ds. J. Langhout in Anjum.


De beide vrienden bespraken ook het werk van Abraham Kuiper en zijn Vrije Universiteit te Amsterdam. Zouden de aan die universiteit afgestudeerde dominees wel toegang krijgen tot de staatskerk? Zwart verklaarde zich ronduit voor Kuiper, Blom hield nog een slag om de arm, was bang voor de gevolgen. Toen de breuk kwam, betekende dat voor Zwart ‘Meedoen!’ Voor Blom was het ‘Meedoen, maar...’ Hij vond geen vrijmoedigheid om de staatskerk te verlaten en die over te laten aan de vrijzinnigen. In deze zelfde tijd verliet Blom zijn boerderij en ging rentenieren in een burgerhuis in het dorp, ook aan de Langgrousterwei.


In 1890 waren er zoveel inwoners van het dorp die de staatskerk verlieten en meegingen met de Doleantie dat er een Gereformeerde Kerk ontstond en er een kerkgebouw moest komen. Er werd gezocht om een geschikt bouwterrein en dat werd gevonden direct naast de rentenierswoning van Blom waar nog een lapje grond beschikbaar was. Na enige tijd verrees daar een gereformeerd kerkgebouw en dat tot ergernis van Anne Blom. Hij sprak er zijn vriend op aan, maar die zei dat hij weliswaar met pijn in het hart afscheid nam van de staatskerk, maar dat er in de aloude Sint Cecilia niet meer de waarheid verkondigd werd en hij daarom wel gedwongen werd die kerk te verlaten.
De nieuwe kerk kwam er maar een dominee was niet gauw gevonden. Dat was geen probleem want Kuiper had net een serie preken uitgegeven die precies dat weergaven waar de dolerenden behoefte aan hadden. Durk Zwart kon lezen en bezat de vrijmoedigheid om in het openbaar voor te gaan in gebed en zo kwam het dat hij ’s zondags op de preekstoel in de nieuwe kerk stond. Vanaf die plaats kon hij de deur en het raam van zijn vriend Anne Blom zien, immers kerk en woning stonden dicht bij elkaar. Blom kon daardoor ook Zwart op de preekstoel zien staan en dat gaf hem veel ergernis. Zijn beste vriend en hij gingen elk hun eigen weg, dat begreep hij, maar dat het elke zondag getoond werd vanaf de preekstoel voelde voor hem als een messteek in zijn rug. Hij sprak er Zwart op aan en vroeg of daar niets tegen te doen was. Dat kon en ze kwamen overeen dat er matglas geplaatst zou worden naast de deur van Blom en aan de noordkant van het kerkgebouw.v
De vriendschap bleef, de deur en het matglas in het huis van Blom verdwenen, maar het matglas in het kerkgebouw was nog lange jaren te zien en is pas een paar jaar terug weggehaald.
Op de foto is links nog een klein stukje van het huis van Blom zichtbaar.



R. Tolsma

©
Tekst:
Foto voorblad: Reinder Tolsma

Opmerkingenvenster

Matglas