Volksgezondheid


Rond 1860 ligt de gemiddelde levensverwachting in Nederland op 37 jaar. Volgens de gegevens van het Centraal Bureau van de Statistiek werden mannen toen gemiddeld 36, 4, vrouwen gemiddeld 38,2. Tegenwoordig ligt de gemiddelde levensverwachting voor mannen op 79,9 en voor vrouwen 83,1. Dat wil niet zeggen dat mensen rond 1860 niet oud konden worden. Ook toen waren de meeste mensen toch nog 73 wanneer ze kwamen te overlijden. Het was vooral de hoge kindersterfte die er voor zorgde dat de gemiddelde levensverwachting zoveel lager lag dan nu. Zo stierven in Friesland tussen 1875 en 1879 van de 1000 nieuwgeborenen 141 voor hun eerste levensjaar. Rond 1899 is dat gedaald tot 99 per 1000. In 2016 waren het er 7 op de 1000. Ook na het eerste levensjaar was de kindersterfte tot ver in de 20e eeuw hoog.
Naast de kindersterfte waren er geregeld epidemieën die veel slachtoffers maakten. Zo was er in 1823 vanwege de hevige winterkou een grote tuberculose epidemie. Verder werd Nederland in de 19e eeuw meerdere keren getroffen door een cholera -epidemie. De zwaarste in 1848/1849. Toen stierf maar liefst 1 % van de bevolking. Ook tyfus en pokken maakten geregeld vele slachtoffers. Ook roodvonk, difterie of een longontsteking konden je fataal worden. In 1847 werd de landbouw in heel Europa getroffen door de aardappelziekte, met in vele streken hongersnood tot gevolg. Ook in Friesland. De laatste massale epidemie was de Spaanse griep die in Europa miljoenen slachtoffers maakte. Met name twintigers en dertigers. In Nederland stierven 30.000 mensen op een bevolking van toen nog maar 6,6 miljoen inwoners. Uit de eeuwen daarvoor zijn veel minder statistische gegevens bekend, maar het beeld zal zeker niet anders geweest zijn.
Zo maakt ook Hoyte Rocouma in zijn Memoriael van Dronryp, dat hij tussen 1690 en 1717 bijhoudt, melding van epidemieën van kinkhoest en kinderpokken die met name onder kinderen veel slachtoffers maken. Ook verdrinken er geregeld kinderen. In de Harlingertrekvaart, in de gracht en zelfs in een ”schijtsloot”. Maar vooral de gracht rondom het herenhuis van Hr. Ernsthuysen heeft veel op zijn geweten. Grietie, vrouw van Sijtse Gerrits, bevalt van een drieling, zo vertelt Roucoma: Adam. Eva en Jacob. Maar vier dagen daarna worden op een zondag Adam, Eva en Jacob in één kistje begraven.
Pas in de tweede helft van de 19e eeuw treedt er geleidelijk verbetering op. De voeding wordt beter net als de hygiëne. Met als gevolg dat de kindersterfte begint te dalen. In 1865 komt het kabinet Thorbecke met enkele geneeskundige wetten die onder meer inhielden dat artsen, apothekers en vroedvrouwen aan het plaatselijk of regionaal gezag onttrokken moesten worden en een examen moesten doen dat door een rijkscommissie, benoemd door de Kroon, moest worden afgenomen. In elke provincie benoemde de Kroon een inspecteur die bijgestaan werd door een geneeskundige raad. Dit geneeskundig staatstoezicht had tot taak de toestand van de volksgezondheid te onderzoeken, middelen ter verbetering aan te wijzen en toepassing daarvan. Daarnaast kwam er in 1872 een Besmettelijke Ziektewet. Deze wet hield in dat op gezag van de burgemeester mensen met, door de wet bepaalde, besmettelijke ziekten geïsoleerd konden worden en dat door hem de ontsmetting van gebouwen en goederen verplicht kon worden gesteld.
In 1875 wordt in Noord – Holland de eerste Kruisvereniging opgericht Op 15 oktober 1902 in Leeuwarden de Provinciale Friesche Vereeniging "Het Groene Kruis". Tien jaar is in vrijwel alle steden en dorpen in Friesland een plaatselijke kruisvereniging werkzaam. Ook in Dronrijp. Het werk van de kruisverenigingen bestond uit het geven van voorlichting op het gebied van de hygiëne, het bestrijden van epidemieën en volksziekten, het verplegen van zieken thuis en de zorg voor moeder en kind. Met het oog op de verpleging van zieken thuis worden uitleenpunten in het leven geroepen waar verpleegmateriaal kan worden geleend. Ook in Dronrijp verrijst zo’n magazijn. Aan de Tsjerkebuorren, naast de hervormde kosterij. Thans is het een schuurtje waarin o.a. het tuingereedschap voor het onderhoud van de begraafplaats wordt bewaard.
Een van de eerste speerpunten van de kruisvereniging was de bestrijding van tuberculose. In de jaren twintig gaan de consultatiebureaus voor moeder en kind van start. Voor wie een huisartsenconsult niet zelf kon betalen was er de zogenaamde ‘armenpraktijk’. Voor die ‘armenpraktijk’ kreeg een huisarts jaarlijks een vast bedrag uitgekeerd. Tot in de 19e eeuw vaak betaald door een plaatselijk armbestuur of een plaatselijke diaconie en vanaf die tijd vaak door het bestuur van de burgerlijke gemeente.
Leeuwarden kreeg al in 1825 een ziekenhuis: het stadsziekenhuis aan het Blokhuisplein. In 1879 stichtte Mattheus Teffer het Diakonessenziekenhuis. Vier jaar later stichtten zusters Franciscanessen uit Münster het Bonifatiushospitaal. Beide ziekenhuizen stonden aanvankelijk aan de Voorstreek. Na een paar jaar verhuisde het Bonifatiushospitaal naar de Troelstraweg en het Diaconessenhuis naar de Noordersingel. Nu heeft Leeuwarden een groot Medisch Centrum aan de Henri Dunantweg.


Om de kosten die verbonden waren aan de opname in een ziekenhuis te kunnen betalen worden ziekenfondsverenigingen opgericht. Zo wordt in 1925 de Vereniging voor Ziekenhuisverpleging in de gemeente Menaldumadeel opgericht. De vereniging is onderverdeeld in een aantal kringen waaronder de kring Dronrijp/Schingen. Dankzij de ziekenfondsen wordt de gezondheidszorg ook toegankelijk voor de gewone man. Na diverse fusies zijn al die plaatselijke ziekenfondsverenigingen in 1990 uiteindelijk opgegaan in ‘De Friesland’.

©
Tekst:
Foto voorblad: Wurkgroep Histoarysk Dronryp

Opmerkingenvenster

Volksgezondheid